Body/Head – Coming Apart

body head

Body/Head – Coming Apart (Matador Records; LP/cd)

“Coming Apart”, het studiodebuut van het no-wave-gitaarduo Kim Gordon en Bill Nace onder de naam BODY/HEAD herinnert onmiddellijk aan het minimale geluid van vroege SONIC YOUTH—”Bad Moon Rising”, “EVOL” en in iets mindere mate aan “Sister”, dat bij tijd en wijlen veel meer een rock geluid liet horen, iets wat op “Coming Apart” ten enenmale ontbreekt, niet in het minst door de volledige omissie van een ritmesectie. Het doet daarmee enerzijds ouderwets tegendraads aan, maar anderzijds werkt de plaat temidden van al die compressed maximale sound van hedendaagse pop zeer verfrissend. Eindelijk weer eens een noiseplaat die geconcentreerd is om de ambachtelijk met de hand bespeelde gitaar, en niet geëdit is uit electronisch geproduceerde drones, zoals bij veel huidige capital N Noise het geval is.

De nadruk ligt op textuur, die merendeels wordt geëffectueerd door een simpele, doch heldere gitaarlijn tegen de achtergrond van modulerende rauwe gitaarnoise, versterkt middels de van SY bekende alternative tuning. Het gaat hier bijna uitsluitend om het schetsen van een sfeer op basis van boventonen en white noise. En die is bepaald donker. Body/Head maakt spectrale muziek, muziek die niet vooreerst op structuur of vorm georiënteerd is. De titel van de plaat schijnt te refereren aan een gelijknamige film van Milton Ginsberg, mij onbekend.

Een van de opvallende kenmerken van de plaat, die het ook tot een succes maken, is dat de songs geen verse/chorus kennen, maar vrijelijk variëren. Ze zijn gebaseerd op improvisaties in de studio, komen tegelijkertijd niet over als zodanig—dit is geen typische plink-plonk improvisatie; tonen worden de ruimte en tijd gegeven. “Coming apart” is een sterk voorbeeld van instant compositie en een bijna landschapsarchitecturale vormgeving in het geluidsspectrum. Het andere opvallende kenmerk is dat behoudens Gordons stem al het geluid wordt geproduceerd door het samenspel tussen twee gitaren. Bas en drum worden in het geheel niet gemist; integendeel, die zouden door hun intrinsieke rockaspecten (focusserend op ritme) juist een verstorende werking hebben op de filigrane textuur en klankkeur die met de gitaren wordt gecreëerd.

De samenhang ook tussen thematiek en geluid, de configuratie ervan als expressieve kunst, wordt versterkt door een overvloedig gebruik van echo en reverb. Dergelijke sonische trucs staan in dienst van de lyrische thema’s: mannelijke dominantie, vrouwelijke wanhoop, verlangen en vleselijke lust, naïviteit, the gaze/stardom (dat laatste in het nummer Actress). De muziek is sensueel en intuïtief in zijn vrije vorm. Er zijn weinig improvisatieplaten, zeker niet van het geijkte type, die subjectiviteit en sound zo weten te integreren.

In het nummer Abstract, waarmee de plaat aanvangt, nemen Gordon en Nace de ruimte en de tijd. Door het ontbreken van enige bottom end is de sound geheel afhankelijk van louter gitaar feedback, eenvoudige strumming en quasi-pizzicatos, en Gordons lijzige, vlakke vocalen. Op 4:23 resulteert het treble-gepiel dan in meer sustained feedback. Ondanks de schijnbare structuur- en vormloosheid doet het geheel volstrekt natuurlijk aan. Men ervaart de dynamiek van de feedback-exercities als subliem, niet als repetitief irriterend lawaai. Vragen over schoonheid zijn hier niet relevant. Evenmin noise als concept, maar als een zoektocht naar expressiviteit in sound, die  de luisteraar dwingt tot het herstructureren, in haar subjectieve beleving, van de gehoorde soundscapes als popsongs.

De track Murderess is a capella, met als enige begeleiding de nauwelijks hoorbare lichte klopjes op de gitaar op de achtergrond van het geluidsspectrum, die zich laten aanhoren als vage hartslagen. Door Gordons langgerekte exclamaties heeft het iets geaffecteerd maar ook affectiefs.

Het simpele ‘strummen’ op de gitaar op nummer Last Mistress correleert volstrekt met het allengs luider klinkende gepiel van de tweede gitaar, versterkt door Gordons lage eentonige vocalisaties. De komische kreetjes (hoor ik: Woof! Woof!?) zijn dan de interjecties in de cadens van de striemende feedback, die op een gegeven moment bijna symfonisch wordt en een merkwaardig fijne melodie voortbrengt, waaroverheen Gordon op zeker moment luider inzet en in een hoger register gaat zingen: “the last mistress/ pissing like a dog/ territorial markings” (het klinkt bijna als “territorial barkings”). Haar zang gaat bij aanvang van de coda over in een ‘high pitched voice’. Hoe een totaalgeluid uit zulke minimale middelen getoverd kan worden is een niet gering wapenfeit van deze plaat. Last Mistress is extreem goed, en kan zich meten met willekeurig welk nummer uit het Sonic Youth-werk van de periode 1985–90, de hoogtijdagen van de band.

Het nummer Actress lijkt dezelfde middelen in te zetten, maar is zeker niet inwisselbaar met de andere tracks. Wederom kenmerkend is het dubbelspel tussen de twee gitaren, waar de een mutatis mutandis de traditionele rol van ritmegitaar inneemt, de ander die van de sologitaar, zonder ook maar enigszins een hint van rock te laten horen.

Het ongetitelde interludium geeft enig respijt met een welhaast Lanois-achtige Louisana style gitaarlijn, die zich echter gelukkig daarvan onderscheidt door een sterk verwaterde klankkleur: noise als een impressionistische miniatuur-acquarel.

Can’t Help You lijkt op het eerste gehoor meer straightforward. Bijna singer-songwriter-achtig, ware het niet dat beide gitaren (rhythm/background melodie) volstrekt verrot klinken en tegen de 4e minuut alsnog een krankzinnig noise crescendo aanvangt. Dit gaat direct terug op de no wave van bands als UT en MARS of wat dichterbij in de tijd: de lo-fi van begin jaren negentig. Als Kim Gordon Kim Gordon niet zou zijn had elk major label dit afgedaan als puberale demo-huisvlijt.

Aint is een hertoning van een nummer van NINA SIMONE, volstrekt onherkenbaar natuurlijk, ook al zou je het nummer kennen (ik ken het in ieder geval niet). De rondzingende noise-toon waarmee Aint inzet is ronduit prachtig, waaroverheen Gordon in een even rondzingende echo de lyrics eerder declameert dan zingt.

De laatste twee nummers van de plaat zijn beduidend langer. Ze versterken het ruimtelijke aspect. Black, gebaseerd op de traditionele Amerikaanse folk song Black is the Colour (of My True Love’s Hair), is uitgerekt tot een nummer van meer dan 13 minuten. En de laatste track van de plaat, Frontal, beslaat een hele plaatkant (17 minuten), en is wellicht een tikkie te frontaal-zelfexpressief, of misschien juist eerlijk over een bepaald soort naïviteit: “What can I do when I’m in front of you / I feel so weak, so stupid too”. Hoewel: de steeds verzengender wordende noise coda die zo’n 2 en halve minuut tegen het einde inzet maakt veel goed: het steeds maar herhaalde “You would have killed me/Had you not raped me” tegen een achtergrond van pure feedback komt in zeker opzicht theatraal over, maar is niet minder effectief in het direct aanspreken van ons sympathische zenuwstelsel. “Coming Apart” was mijn plaat van het jaar 2013. En BODY/HEAD is wat mij betreft de beste band die uit Sonic Youth is voortgekomen.

Voor iedere liefhebber van Bad Moon Rising, EVOL en Sister, de oude, echte Sonic Youth dus, rest maar een ding: aanschaffen. Voor mij absolute plaat van het jaar.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s