Autechre “Exai” revisited

Autechre graaft zich steeds meer in. Hun laatste ruim 4 uur durend monster “Elseq 1-5” (op #7 geëindigd in mijn jaarlijstje voor 2016; hier naar beneden scrollen) is ondoorgrondelijk. In 2013 schreef ik het volgende over voorganger “Exai”, ook geen kattepis (4 slabs of heavy vinyl; terwijl “Elseq” zo lang duurt, dat ze ‘m alleen als download hebben uitgebracht):

Autechre—”Exai” (4LP/cd)

Men weet dat echte verrassingen bij AUTECHRE (Æ) bijkans uitgesloten zijn, en toch wacht men, als onverbeterlijke fan, met spanning af: hoe zal de nieuwe klinken? Is Æ nog wel avantgarde, ruim vijftien jaar na hun absolute meesterwerk “Confield”, ontegenzeglijk het toonbeeld of archetype van computergecomponeerde populaire electronisch muziek? Het in 2010 verschenen “Oversteps” was mijns inziens een welkome afwisseling, een perfecte studie in expressiviteit in electronica, waarmee Æ nu eens niet focuste op beats, maar op textuur en klankkleur. Die gang lijkt op “Exai” weer teruggedraaid ten faveure van platen als “Draft 7.30” en “Untilted”, met kleine wenkjes naar het meer ambiente werk uit midjaren negentig en de abstract-experimentele miniaturen van “LP5” en “EP7”. Opmerkelijkerwijs eindigde “Exai” in the Wire top-50 vrij hoog op nummer 13—opmerkelijk, omdat the Wire graag wordt gezien als een blad dat op de hoogte is van de nieuwste trends, en Æ is nou niet bepaald hip.

De eerste track Fleure: kletterende beats tegen een achtergrond van een fijnzinnige melodie, het tweede subject, gepunctueerd door sonore drilboren en scherpe, tsjilpende noise-geluidjes die de cadens doorbreken. De kletterende beats houden stil, de sonore trillingen zetten zich voort, de break treedt in bij pakweg 4 minuten. Het is een zoektocht naar melodie, bijna; dan willekeurige beats/sounds/glitches. RENE HELL-achtige drumbeats pakken een andere melodie op. Is de Hell-referentie intentioneel of is het gewoon het type software dat hier wordt gebruikt? Niettemin, Fleure is een fantastische opener.

Tweede track, het ruim 10 minuten durende Irlite, doet onmiddellijk denken aan het meer orkestrale “Oversteps”, het wat mij betreft geniale understated staaltje van expressiviteit en door sommigen miskende album van 3 jaar eerder, ofschoon ook hier, op Irlite, de snares een persistente backbeat verschaffen en de klankkleur iets donkerder is. De ruimtelijke synth pads die weerklinken, en de daarop ingezette harmonische melodielijn, appelleren aan pure schoonheid. Hoezo geen emotie? Dit is Æ op z’n meest lyrisch en glanzend, net zoals we op “Oversteps” konden horen, of inderdaad op het veelgeroemde “Amber” of “Tri Repetae”, waarnaar veel onverbeten romantici die afhaakten bij het duistere, en verwrongen “Confield” (of nog eerder, het merendeels door de critici veronachtzaamde “Chiastic Slide” uit 1997) terugverlangen. De bassen van Irlite zijn overigens behoorlijk prominent. Fantastische symfonische electronica, met een wijdse dynamiek die vaak ver te zoeken is in de meeste electronica. Je zou het ‘prog-electronica’ kunnen noemen.

Volgende track Prac-f, met zijn wild echoënde electro beat-o-logie, is weer wat stroever en abstracter en ligt meer in de lijn van sommige tracks op “Draft 7.30” of zelfs “Confield”, of inderdaad een wat zwaardere versie van nummers op “LP5”. Fact Magazine spreekt toepasselijk over M. C. Escher-achtige recalibreringen van wat in grond der zaak electro-muziek is. Niet verkeerd. Jatevee C is, met z’n typische snare-sound, al genoemd als Æ-gone-dubstep gelardeerd met een typisch abstract Æ synth-riedeltje, maar overtuigt mij het minst. Als dit inderdaad ontleend is aan dubstep dan voegt het niet heel veel toe. Beter om het gewoon als door-de-bank Æ te beluisteren. Niet slecht, maar ook geen hemelbestormend nummer.

T ess xi is vrij standaard klassieke Æ, met knisperende, softe beats; doet denken aan de “Cichlisuite” EP, circa 1997, met de harde ritmes die volgen dan weer direct geplukt van de geniale EP “Anvil Vapre” tegen een licht monotoon ambient-tapijtje. Heel aardig, maar het gevoel bekruipt je dat Æ dit eerder, en beter heeft gedaan. Het is opvallend hoe ondanks de noise van de door elkaar lopende ritmepatronen het geheel behoorlijk harmonisch en recht vooruit klinkt: geenszins zo tegendraads, laat staan claustrofobisch, als op “Confield” bijvoorbeeld. vekoS, met z’n stroeve melodielijn die nergens heengaat, komt ook te bekend voor: vekoS is een platitudineuze cul-de-sac, een noisy ritmisch niemandalletje dat weinig bevredigt en ook te lang duurt.

De stompe, logge ritmiek van Flep laat zien dat Æ ook letterlijk lelijke muziek kan maken. Flep is een pronkstuk van lompheid, met scherpe synth-flarden die nog enige voortjakkerende dynamiek aan het op zich ontzettend logge nummer verschaffen. Contrapuntisch componeren is kenmerkend voor Æ, en geeft daarmee in essentie simpele structuren toch nog die karakteristieke stompigheid mee; maar zoals bij vekoS is Flep vooral een muzikale road-to-nowhere: lineaire opbouw zoals op “Confield” tracks is er niet, lineaire repetitie des te meer. Flep is essentieel Æ, en ook goed, maar ik waag te betwijfelen of nieuwkomers met zo’n nummer instant Æ aficionados worden.

Tuinorizn begint dan veelbelovender met het aanzetten van een melodielijn die een lyrische, meer complexe, ontwikkeling in zich draagt en niet verdwijnt in zijn eigen autistische gedreun. De busyness van de bassy dreuntjes tegen een simpele serie viermaats klappen lijkt echter meer dan het is, waarbij de quasi-radiofonologische geluidjes aan het eind niet veel meer toevoegen; maar toch leuk nummer. De echo en met veel delay geproduceerde aanvang van bladelores is, zo lijkt aanvankelijk, Æ-goes-BASIC CHANNEL, maar al snel is duidelijk dat Æ gewoon Æ nadoet. Bladelores komt over als een aquatisch dansnummer dat eigenlijk te traag is om op te dansen, maar wel meer dan 12 minuten voortduurt, het langste nummer van de plaat; zoals de Engelsen zeggen: “it long outstays its welcome”. En zo eindigt cd 1 (plaatkant D) niet echt overtuigend. Meer Æ als painting by numbers.

CD 2 of plaatkant E, met het nummer 1 1 is, begint met dezelfde stramheid als op Flep, maar doet ook denken aan de abstracte miniaturen van het wat oudere Æ uit de jaren negentig (circa “Chiastic Slide” en vooral “LP5” en “EP7”). Het licht atonale, bijna mediëvaal aandoend intermezzo van na pakweg 4 en 1/2 minuten heeft een prettig effect, dat allengs uitmondt in een noisy coda dat mooi overgaat naar de opmerkelijk heldere inzet van het daaropvolgende nummer. 1 1 is is een geslaagd nummer. Dat geldt ook voor nodezh dat nog het meest lijkt op het werk op “Oversteps”, met zijn licht melancholiek aangezette melodie, reverb-y beats en wijdse dynamiek, die gaandeweg worden begeleid door diepe, heerlijk overstuurde, theatraal aandoende synths. Nodezh is een kernvoorbeeld van de harmonieuze kant van Æ.

Runrepik had zo op “Draft 7.30” of “Untilted” kunnen staan. Mainstream electro-funk, met lichtelijke oversturing, dat evenwel niet echt beklijft. Dat kan MOUSE ON MARS—zoals op hun laatste, onvolprezen “Parastrophics”beter, strakker, en vooral met meer gevoel voor pop. Bij Æ lijkt het meer op een stramme proeve van bekwaamheid. Die souplesse ontbreekt ook op Runrepik en het daaropvolgende spl9, waar MOM’s “Parastrophics” juist uitblinkt in kneedbaarheid. ‘Autechre + funk’ is mijns inziens de minst aantrekkelijke zijde van Æ. Voor mij zijn de ‘mindfuckery’ van “Confield” en het geniale eerste deel van “Draft”, en een enkel nummer van “Untilted”, exemplarisch Æ, de avantgarde Æ die ik eeuwig kan aanhoren.

Cloudline is een lekker trage en monotone, ruim 10 minuten durende electronica moloch. Er gebeurt vrij weinig, is typisch Æ, en klinkt toch, hoe vreemd ook, … verfrissend. Deco Loc 2 komt in de buurt van een SND-oefening in zijn mathematische focussering op snare/bekkens zonder context, een richting die Æ wat mij betreft opmoet. De half-vocalen daarentegen, cut up en delayed, die al snel opdoemen in het nummer hadden voor mij niet gehoeven; ze doen denken aan wat ANDY STOTT tegenwoordig doet (wiens “We Stay Together” en “Passed Me By” EPs uiterst genietbare, opzwepende en vooruitstrevende Extreme Drone-Techno ten gehore gaven, maar wiens “Luxury Problems” LP teveel leunde op een gemakzuchtige exploitatie van de sirene-achtige aantrekking van de vrouwelijke stem); de vocalen, of wat daarvoor doorgaat, zijn hier, op Deco Loc, vreemd aan het nummer zelf. Op “EP7” experimenteerde Æ al eerder op meer geslaagde wijze met vocalen, maar zoals blijkt uit wat ze op Deco Loc doen kunnen ze vocalen voortaan beter laten—want de House-connectie, zoals blijkt uit Stott’s “Luxury Problems”, is al snel gemaakt.

De harde beats van Recks On herinneren wederom aan Second Bad Vilbel van “Anvil Vapre”—misschien wel hun beste plaat, ook al is het slechts een dubbele EP—een track die me altijd bij blijft vanwege een DJ set in de voormalige Techno-bunker in de Amsterdamse Silo (we praten 1995!). Het hauntologische, ruimtelijke geluidsspel met radio-frequenties (althans, zo klinkt het) dat volgt is uitermate fijn. Recks On is absoluut een van de betere nummers op de plaat. Afsluiter YJY UK is een rechtgeaarde Æ coda, dat alle kenmerkende elementen nog eens dramatisch samenbalt: harde beats, ragfijne synthpads, etherische melodielijnen. Het herbergt verwachting-scheppende beeldspraak in klanken. Het had op geen enkel ander album van Æ misstaan. Hier sluit het echter een onevenwichtige, twee uur durende plaat van late-Æ af. Het is moeilijk voor te stellen hoe met dit 11e album (EXAI=XI) Æ nog vernieuwend kan worden genoemd, ook al is het zo dat ze nog steeds als geen ander klinken. Een beetje trimmen hier en daar had gekund (dan zullen we maar zwijgen over opvolger Elseq 1–5!); anderzijds, in het overproductieve digitale tijdperk waar elke scheet een LP oplevert, is een ongepolijste juweel in een mooie, sturdy LP-box—en dat is “Exai”—nog steeds een hebbeding.

Je vindt deze bespreking van “Exai” veel te lang? Dan moet je vooral niet gaan luisteren. Het is 8 plaatkanten lang! Je hebt gewoon het geduld niet. En je bent bovendien geen fanatieke Autechre-fan. Hoeft ook niet!