Noise: Starving Weirdos

r-1757377-1292351826-jpeg

Starving Weirdos (Brian Pyle, Merrick McKinley, Steve Lazar) zijn een van de vele obscure, experimentele en soms ronduit  eigenaardige juweeltjes die de US underground ons in de jaren Nul leverden. SW behoorden tot het meer folk-psychedelische kamp van de West-kust waar ook de found-sound akoestisch-pastorale drone-folk-noise van Thuja, Blithe Sons (beide deel uitmakend van het Jewelled Antler Collective) en zijdelings Coelacanth toe behoorden (Keith Moliné omschreef SW toepasselijk ooit als de “hoodlum version” van Thuja). SW’s vroege sound (op dubbel-cd “Eastern Light” bijv.) is grosso modo te typeren als Noise (“ritual space-noise”, aldus diezelfde Moliné), maar dan niet zozeer gericht op transgressie maar veleer als exploratie van de trance van de drone en de welhaast feëerieke schoonheid die men vindt in de weerklank van zuivere ruimtelijkheid—meer dus in de trant van Double Leopards en de primitieve galmmantra’s van vroege jaren Nul-periode Dead C dan het lompe werk van Wolf Eyes of Hair Police, hoewel SW ook weer veel ‘mooiere’ klanken laat horen dan het monomaniacaal omineuze Double Leopards. Wat ook opvalt in de vaak lange nummers is dat ze ondanks hun lengte bijna verzanden in hun stasis, puur door de focus op timbre, textuur en sound. Als de muziek eindigt heb je niet het gevoel ergens aanbeland te zijn, en toch heb je veel, heel veel gehoord.

Op iets latere albums zijn er steeds meer expliciete uitstapjes naar nu eens meditatieve dan weer kosmische psychedelica,  elektroakoestisch experiment, en regelrechte fuzznoise…en meer gitaar (zoals op “Shrine of the Post-Hypnotic”)—maar altijd in dienst van het voortdreunende geheel. Een ding is duidelijk, hun muziek mag dan geïmproviseerd klinken, het is echter allemaal het product van muzikaal gecontroleerde digitale post-production, zoals ze in hun interview met The Wire van september 2007 duidelijk maakten.

Over hun 2008 cd “Summon with Electronic Sorcery” schreef ik:

The duo’s music is a perfect mimicry, through heavy post-production, of nature. A kind of anti-Rousseauian constructed pastoralism.

Oftewel musique concrète in the woods. In 2007 eindigde voorganger “Shrine of the Post-Hypnotic” op #5 in mijn jaarlijst. Ik gaf de volgende nogal non-descripte beschrijving van een wat duisterdere variant van de SW sound op deze plaat, met beduidend meer gitaarfeedback dan voorheen:

Totally obscure Californian Wire-fêted psychedelic intimate noise ambient duo or something suchlike. Not really ambient though. A kind of clumsy, countryside MBV on acid. Hippy music if you wouldn’t be au fait with the latest and hottest in avant music. Of course, it’s not hippy, for it’s feedback-drenched, no fiddles, drippy vocal or any other faux-authentic folk element. This is an entirely likeable desubjectivized amalgam of tones and textures.

“Father Guru” uit 2006 (op het kortstondig bestaande Azul Discografica dat ook een uitstekende Talibam! cd uitbracht) is fenomenaal in z’n transparante schoonheid, misschien wel hun beste, ofschoon de CD voor 2/3 redelijk afwijkt van de rest van het SW-œuvre, dus het is eigenlijk appels met peren vergelijken—in ieder geval is het hun best klinkende: op een van de 3 tracks, ‘Trancin’, lijk je geconfronteerd te worden met de estetica van de akoestiek van een echoënde gymzaal, waar getennist wordt tegen de achtergrond van heavily treated strumming op ’n akoestisch gitaar en steeds luider wordend doch blijvend onherkenbaar gebabbel; functionele field recording van ragfijne omgevingsklanken voor uw subjectieve beleving in front of the stereo. De eerste track ‘Cypress Groves’ werd in The Wire toepasselijk omschreven als “solo Sun Ra on clavioline at his most beatific, lost in a hall of mirrors”. Quite! Track #3, ‘Mist-Shrouded World pt 2’, is een tintelend spectraal en aangenaam bezwerend gamelanspel op een bed van noisy gitaren en allerhande instrumentatie, waar allengs spooky stemachtige geluiden op de voorgrond treden. Opnieuw, er is durée, maar tegelijkertijd stokt de muziek naarmate het luider en dynamischer wordt.

Ook de dubbel-LP “Path of Lightning” uit 2009, met die idiote klaphoestekening (zie hieronder), is  positively deranged. De LP “Blue Herons” uit 2008 (verschenen op het korte tijd zeer hippe olde english spelling bee label) alsook hun laatste twee LPs “Rolled In The Midst Of Never-Ceasing Currents Flowing Without A Rest Forever Onward” (LP bo weavil 2011) en “Land Lines” (CD/LP amish 2012) zijn mij niet bekend.

r-2011017-1258391997-jpeg

In 2009 schreef ik de volgende, achteraf bezien ietwat vreemdsoortig terugdeinzende bespiegeling  over mid-period album “Into an Energy”, uit 2009, in zijn limited edition extended edition, met 5 extra nummers op een CDr:

r-1792376-1263395202-jpeg

STARVING WEIRDOS — Into an Energy (limited edition CD+CDr Bo’Weavil , 2009)

Starving Weirdos begon sterk met “Eastern Light”, een magnum opus op dubbele cd-r in beautiful sturdy handcrafted sleeve, met een psychedelische en tegelijk spookachtige vorm van drone-muziek. Erg verslavend, spooky en spine-tingling en non-faux-hippie (of wellicht toch faux met titels—op de nieuwe plaat—zoals ‘Pagan Unity’, ‘Invocation by Fire’? Is dit hippie pastiche of zien we hierin realiter een wens terug te keren naar reine natuur en eenvoud, waarmee we SW dan resoluut moeten desavoueren?). De twee hoofdverantwoordelijken komen uit een plaatsje ergens in de bossen in Noord-Californië. Dat rurale, rustieke hoor je eraan af. Ietwat rechts van de San Fran city sound van de Grateful Dead, ofschoon SW meer concrète-elementen toevoegen en volstrekt afzien van de blues (er is geen lick of riff te bekennen, of je moet de concentratie op de noisedrone en de “junkyard gamelan”[*]-effecten als éen langgerekte riff opvatten).

Het is onduidelijk hoe kritisch we dit moeten benaderen, hoezeer ik deze muziek ook met redelijk grote schrokken verorber, en hoezeer relatief origineel hun sound ook is. Dat komt met name door de ijzige boventonenreeksen die worden gecreëerd aan hand van een verscheidenheid aan akoestische en electrische instrumenten en een toch vrij simpele orkestratie. Dit is geen moeilijke muziek en toch allesbehalve pop of rock.

Dat er desondanks weinig potentieel zit in dit soort muziek blijkt uit het feit dat na pakweg 7 reguliere platen in een paar jaar (en een hoop extra obscuur materiaal op singles, lp, cd-r en tapes) de sound nog volstrekt hetzelfde is; geen ontwikkeling dus. Hun mooiste en meest gevarieerde album is denk ik “Father Guru”, met dat nummer waarin je de reverberaties hoort van een tennishal waar je de slagen hoort van de tennisrackets in een soep van galm.

Hun nieuwe, “Into An Energy”, wijkt niet af van het soundpalette dat we al hoorden op eerdere platen, met spreekstemmen toegevoegd. Zeer aangename, verzachtende noise, relatief uniek tussen alle droneplaten, maar uiteindelijk zal het toch niet boven de obscuriteit uit kunnen stijgen. Maar is dat verkeerd? Noot: vroege bestellers (bij Bo Weavil records) krijgen een extra cd-r met 5 lange tracks.

Selectieve discografie (gebaseerd op eigen collectie):

  • Eastern light (2xCDr root strata 2006; 2nd ed. hand-painted gatefold cardboard cover)
  • Father guru (CD azul discografica 2006)
  • Shrine of the post-hypnotic (CD root strata 2007)
  • Summon with electronic sorcery (CD bottrop-boy 2008)
  • Sudden fear (DVDr cut hands 2008)
  • Absolute freedom/Mt Josephet (7″ abandon ship 2008)
  • Into an energy (CD+limited ed. CDr bo weavil 2009)
  • Path of lightning (2xLP weird records 2009)
  • b/p/m series 1 (LP blackest rainbow 2009)

[*] Bruce Russell, recensie van “Into An Energy”, The Wire #305, July 2009, p. 57.

Reacties zijn gesloten.