Mosterd na de maaltijd oftewel dertien in een dozijn: over de nieuwe GLICE

GLICE—Cielo (Narrominded 12″/dl)

Glice, het duo van Ruben Braeken en Melle Kromhout, bestaat al een tijdje, maar Cielo is pas hun eerste die uitkomt op een reguliere geluidsdrager (compact disc dan wel vinyl; wel hebben ze voorzover ik weet eerder twee hippe ouderwetse cassettes uitgebracht). De nieuwe van Glice wordt door het label aangeprezen als “post-classical” en “post-industrial”, of, om nog eens te citeren uit de promotionele blurb: Glice “moves past noise music and abstract electronics into strange new territories”. Ik ben niet zo van post-dit en post-dat, omdat het nogal vaag en achterhaald is (wat betekent het zo vaak gebezigde ‘post-klassiek’ bijvoorbeeld?), en waarschijnlijk is het ook een al te gemakkelijke manier om eventuele kritiek te kunnen pareren. Laten we gewoon doen alsof de muziek van Glice noise is, want de meest opvallende kenmerken van hun nieuwe EP vallen binnen de parameters van wat we als het genre van ‘noise’ betitelen. Laten we ook de discussie of het ‘muziek’ of slechts ‘geluid’ is achterwege. Ik hang de these van Musica Elettronica Viva aan dat sound = music.

Op Pentachromacy, de eerste track op de EP die zo’n 40 minuten duurt (het is dus naar huidige maatstaven niet echt een volwaardig album), lijkt ’t alsof de idee erachter niet z’n beslag heeft gekregen in de muziek zelf: een geval van teveel nagedacht over hoe het moet klinken—die titel slaat, als ik het goed heb, op de capaciteit om kleuren via vijf onafhankelijke kanalen te kunnen waarnemen. Titels in de vorm van abstracte noties die een idee moeten uitdragen, zijn nooit echt een goed idee! Kunst en wetenschap gaan niet altijd, en vaak niet, samen. Of anders gezegd: wat in theorie correct of vruchtbaar lijkt te zijn, hoeft dat in de praktijk (van de kunstenaar) helemaal niet te zijn.

Dit blijkt, want Pentachromacy is in z’n uitwerking ’n uiterst monochroom stuk lawaai geworden dat maar moeilijk uit de band springt of van kleur verandert. Het ontbreekt aan een ‘motivische’ lading of drijfveer: dat de geluiden die je hoort, hoe subtiel ook op zich, naar een ontlading of ontknoping wijzen, van meetaf aan de lange lijn laten horen van het stuk, waarom een stuk zoals dit vanuit zichzelf beschouwd ruim 10 minuten moet duren. Ik detecteer weinig van dit al, ofschoon er een klein detail bij komt na pakweg 4 minuten, die de monochromie en de monotonie evenwel niet vermag te doorbreken. Je hoort een zekere allengs toenemende gelaagdheid en detaillering die niet onwelgevallig is voor degene die dit soort muziek voor z’n plezier beluistert, maar je mist de uitontwikkeling naar een hoger niveau, waarbij de onduidelijke onmiddellijkheid van het begin in een soort apotheose wordt gerechtvaardigd. Pas in de laatste minuut, in de coda van het stuk, komt de omslag: welkom, maar te laat en muzikaal  nauwelijks geanticipeerd. Ik kan me goed voorstellen dat menigeen denkt dat dit saaie muziek is. Het is in ieder geval uiterst non-specifiek: een geval van dertien in een dozijn.

Op ‘archs of sound’ gebaseerde, quasi-‘durchkomponierte’ noise heb ik veel eerder veel beter gehoord: beste schoolvoorbeeld is wel het oeuvre van Yellow Swans dat van begin jaren nul tot 2008 (hun laatste live-optreden) aan de top van de zeer vruchtbare Amerikaanse noise-scene stond, met opzwepende, lyrische noise-kathedralen zoals op Psychic Secession, en vooral hun pièce de résistance At All Ends uit 2007. De LP At All Ends, waarvan de titel van het laatste nummer Endlessly Making An End Of Things ontleend is aan een gedicht van Paul Celan, is een paradigmatisch voorbeeld van hoe viscerale noise, sublieme muziek en bedwelmende lyriek samen kunnen gaan.

Het tweede nummer Rangda tapt uit een ander vaatje, alsof je hier, althans in de eerste maten van de track, met een geheel andere formatie te maken hebt. Ik hoor in de verte John Wiese, zoals bijvoorbeeld van zijn prachtwerk Seven of Wands (PAN 2010), en sommige stukken van Wiese’s chef d’oeuvre van twee jaar geleden (Deviate From Balance, Gilgongo Records, 2015). Prettig verstorend, tentatief instrument-gedreutel op de vierkante millimeter, ondersteund door mechanische klanken en wat lijkt op verhaspelde vocalisatie (maar waarschijnlijk een zuiver instrumentele bron heeft). Dit is in ieder geval veel beter dan de eerste track. Het is polyfoon gelaagd op een manier die ietwat onbeholpen een subjectief-lyrische zoektocht uitdrukt: als luisteraar word je hier, in de beste atonale—of, zo u wil, improv—traditie, gedwongen aandachtig naar elke klank te luisteren, zonder de configuratie van het kunstwerk als geheel, de lange lijn, uit het “oor” te verliezen. Niet verkeerd, nochtans niet bepaald vernieuwend.

Derde track Jackdaw grijpt daarentegen weer terug op een sound die nogal gedateerd overkomt: luide, vlakke, trebly gitaar-noise (het lijkt althans afkomstig van gitaar), waar zekere Japanners in navolging van het roemruchte aan LAFMS geaffilieerde Airway in uitblinken. Als je van trebly feedback houdt, raad ik je aan naar Matthew Bower’s Skullflower 2.0 (vanaf pakweg midden-jaren-nul album Tribulation) te luisteren, die uit het spel met hoge frequenties adembenemende geluidsbogen weet te boetseren—ook niet zo gek, want Bower is vooraleer een gitarist, en pas in tweede instantie een lawaaischopper.

In de 3e minuut wordt een sonore bastoon geïntroduceerd die het zaakje enigszins draagkracht geeft, maar de dorre monotonie van de (quasi-)gitaarsound blijft en de melodische toon die wordt ingezet had uit de gitaarnoise moeten worden gedistilleerd, niet erop gelegd. Dat deed het al eerder genoemde Yellow Swans veel beter, om maar te zwijgen van de wijze waarop Kevin Shields op Loveless de melodie uit of op basis van de disparate geluidsblokken edit en zo muziek uit de noise laat opdoemen. Wat opvalt in Jackdaw is dat de lagen niet zijn geïntegreerd, ofschoon ze op het eerste gehoor zo mogen klinken. En om dat nog eens te benadrukken volgt dan, in de 6e minuut, een volstrekt faux-e interventie van strijkers, dat dient om een ‘motivische’ component toe te voegen die de weinig dynamische geluidsconstructie eronder ontbeert—het smachtende van strijkers wordt als corpus alienum ingezet om het gemis aan vervoering elders in het spectrum op te vullen. Maar het brengt het nummer niet op een hoger plan: dit is mijns inziens een typisch geval van een mislukte kadenzierte Interjektion. De live ingespeelde strijkers maken het geheel voor deze luisteraar dan ook volstrekt onappetijtelijk in estetische zin: ‘lelijk’. Ze zijn er als ornament kunstmatig bijgehaald. Jackdaw is daarmee ’n bastaard geworden tussen noise en ‘mooi’, zoals de Warp-stal ooit met een klassiek orkest op toernee ging: een mislukte poging tot Verfransung van genres.

Laatste nummer Animalicule laat een spel met frequenties en instrumentale busy-ness en pitter-patter horen, dat op de beste momenten o.a. wederom aan John Wiese herinnert: mooi contrapunt tussen de puurheid van toon en de quasi-percussieve geluiden op de achtergrond. Het is een aangenaam polyfoon stuk, waarbij de meerstemmigheid op ongeveer de helft van de track wordt aangevuld met iets wat op een koor gelijkt. Wat je hoort na de 5e minuut doet me, afgezien van die vocalisaties, enigszins denken aan het onnavolgbare werk van synth-trio Emeralds, dat voortkomt uit de US noise scene maar helaas niet meer bestaat (met name circa What Happened?). Toch dreigt Animalicule naar het einde toe af te glijden naar een derderangs vocal harmony/ambient crossover bandje op een karig glitch-dieet.

Al met al een mixed bag, ofschoon niet onaardig als je bedenkt dat een dergelijke sound voor de Nederlandse scene vrij uniek is. Ik vond het vroege werk van Glice (Lix vooral, Fleisch minder) interessanter, maar ook daarin werd, net zoals op de twee mindere nummers van Cielo, sterk leentjebuur—maar dan in veel tammere vorm—bij oudere 00s noise en jaren tachtig noise en power electronics gespeeld. Op de nieuweling zijn Rangda en Animalicule door de bank genomen mooie tracks, maar Pentachromacy and Jackdaw komen in mijn ogen niet boven de internationale middelmaat uit, en zijn eigenlijk achterhaald als je luistert naar de beste noise van pakweg tien jaar terug. Cielo voegt niets toe aan wat we al kenden en mist eigenheid; het is eigenlijk mosterd na de maaltijd. Voor de anno 2017 echt zinderende noise, of post-noise of hoe je ’t ook wilt noemen, die daadwerkelijk zeggingskracht en lichamelijke power heeft, moeten we nu bij de vrouwen terecht: Pharmakon, Puce Mary, Body/Head, en Zaimph aka Marcia Bassett (van het vermaarde noisedrone-kwartet Double Leopards en haar jaren nul duo-formatie met voornoemde Matthew Bower als Hototogisu) alsook haar hedendaagse drone-duo met Samara Lubelski (zie hun laatste plaat Live NYC). Maar wellicht kan een live-uitvoering van Cielo geheel anders uitpakken dan de teleurstellende thuis-beluistering van deze EP.

Zie ook overzicht beste noise albums van 2000–2016