The Wire Rewind 2010-2017: de beste (niet-klassieke) muziek van het decennium tot nu toe—Deel 1: 2010

31VLJvB3HeL

Eerder schreef ik over de Wire-jaarlijsten in de periode 1997 tot 2012. Nu het op de kop af 20 jaar geleden is dat ik begon met het jaarlijkse uitvlooien van de Wire top-50 albumlijsten (beginnend met de januari-issue van 1998, die toen nog echt in januari uitkwam!) lijkt het me een goede gelegenheid om het decennium tot nu toe eens onder de loep te nemen (van 2010 tot afgelopen jaar). Dit alvast als een aanloop tot de ’10-beste-albums-van-de-jaren-10′-lijst(en) die ik eind 2019 wil samenstellen. Ik las de Wire overigens al sinds 1993, het jaar ook dat ik voor Opscene begon te schrijven; maar op een of andere manier was voor mezelf lijstjesmaken vóór 1998 niet mijn lichtelijk neurotische hobby, terwijl ik als relatieve laatbloeier toen toch al zo’n twaalf jaar actief naar indie-muziek luisterde. De laatste keer dat ik me überhaupt intensief met lijstjes bezighield was toen OOR-critici  in 1989 De Twintig van Tachtig kozen (die lijst en de individuele lijsten van een aantal scribenten mogen er nog steeds wezen, dunkt me).

In mijn eerdere post over de Wire-lijsten 1997–2012 beschreef ik zeer anekdotisch en subjectief mijn bevindingen over een aantal in die lijsten genoemde albums en maakte ik een keuze van 10 platen uit al de Wire top-10s, platen die er wat mij betreft nog steeds absoluut toe doen (ofschoon die keuze niet identiek zou zijn als ik los van the Wire zo’n top-10 zou moeten samenstellen, wat geen sinecure is, gezien de enorme vloed aan kwalitatief sterke albums die in die jaren zijn uitgebracht). In plaats van zo’n top-10 voor het huidige decennium samen te stellen heb ik een vijftiental Nederlandse journalisten, bloggers, radio-dj’s cq muzikanten/dj’s gevraagd om voor ieder jaar van 2010 tot 2017 hun persoonlijke top-10 samen te stellen. Dat geeft mijns inziens, gezien hun diverse, zeer uiteenlopende smaken, een uitstekend beeld van wat er aan belangwekkende muziek in de afgelopen zeven jaar is uitgebracht (gemakshalve wordt klassieke muziek, inclusief ‘nieuwe muziek’, in de strikte zin—grofweg ‘partituur-gebaseerde gecomponeerde muziek die niet door de componist zelf wordt uitgevoerd’—buiten beschouwing gelaten). Vergelijkenderwijs heb ik naast de top-10 van the Wire van elk jaar ook die van the Quietus en Spex meegenomen—dat zijn naast Dusted en Resident Advisor naar mijn idee de meest interessante hedendaagse internationale muziektijdschriften, maar omdat die twee laatstgenoemden geen jaarlijkse top-10s publiceren, heb ik die niet meegenomen. Als laatste wordt ook een niet-uitputtend lijstje toegevoegd van willekeurige, edoch mijns inziens belangwekkende albums die in geen van de overige lijstjes voor dat jaar worden genoemd.

Elk jaar zal in een afzonderlijke post kort worden ‘geanalyseerd’. Die ‘analyse’ moet men niet al te serieus nemen. Het is niet meer dan mijn subjectieve kijk op elk jaar en de Wire-lijst in het bijzonder. Ik heb niet de intentie om op basis van de beschouwing van de lijstjes tot statistisch relevante bevindingen te komen, noch om een sociologisch dan wel muzikaal diepgaande of zelfs maar adequate beschouwing ten beste te geven. Ik oordeel zuiver uit hoofde van muzikale smaak, en smaak is altijd subjectief, hoezeer smaak—zoals Immanuel Kant al beweerde—ook altijd een claim op universele waarheid legt (geen enkele smaak is immers beter dan je eigen smaak!). Mijn keuzes zijn bovendien volstrekt willekeurig en beperkt tot een aantal in het betreffende jaar opvallende artiesten. Je zal merken dat de liefde voor de onder invloed van de huidige sterk gepolitiseerde Zeitgeist steeds grotere populariteit van R&B in strikte zin (zowel bij de scribenten van the Wire, the Quietus als Spex en meer in ’t algemeen) bij mij vrijwel nihil is. Gelukkig lijken de andere bijdragers getuige hun lijstjes daar net zo over te denken, ofschoon ik natuurlijk slechts voor mezelf spreek. In ieder geval gaat het met name om de lijstjes zelf, die voor zich spreken en genoeg zeggen over de veelzijdigheid van de hedendaagse muziek—ook los van de Zeitgeist. De lijsten en het bijbehorende ‘essay’ zullen chronologisch worden gepost, te beginnen dus met 2010. 

2010

2010 was onder andere het jaar van de terugkeer van Swans en Oval, de opkomst van hypnagogic pop, en de opmerkelijke doorbraak van de Britse artiest Actress, die het presteerde om tot drie keer toe, in 2010, 2012 en 2014, in de Wire top-10 te belanden (de vierde keer—met het in 2017 verschenen “AZD”—lukte het net niet; die plaat belandde op #11). Actress komt voort uit de Londense techno-scene, hoewel techno misschien een misleidende beschrijving is van de muziek van Actress. De muziek van Actress, de nom de plume van Darren Cunningham, is namelijk een hybride van meerdere elementen: pop, techno, experimentele muziek, electronica en ja, ook R&B—the Wire beschreef het “Splazsh”-album, dat in 2010 de Wire-plaat van het jaar was, als “R&B concrète”. Nu, als Actress R&B is, dan heb ik geen probleem met R&B! Maar het kenmerkende (en mij zo irriterende) melisma van R&B ontbreekt bij Actress gelukkig ten enenmale (Actress is immers een man), dus het is de vraag hoe toepasselijk die omschrijving in the Wire eigenlijk is. Overigens vond/vind ik het debuut “Hazyville” uit 2008 en vooral “Ghettoville” uit 2014 beter dan de meer gelauwerde “Splazsh” of opvolger “R.I.P.”.

“Ghettoville” is een “psychogeographical” meesterwerk dat “rusted” en washed out” Londen perfect verklankt, zoals the Wire het treffend omschreef. Velen vonden “Ghettoville” een terugval, maar het is ontegenzeglijk de schurende noise en de ruwe, ongepolijste, mineur sound van “Ghettoville” waarmee Cunningham zeer adequaat het Londen van nu schildert, net zoals Burial dat eerder, halverwege de noughties, al op gelijke en briljant wijze deed op een basisdieet van dub en drum ’n’ bass—met dit niet onbelangrijke verschil dat Cunningham vanuit een zwart perspectief naar de grote wereldstad kijkt. “AZD”, dat in 2017 uitkwam, is daarentegen weer opvallend gepolijst, en raakt me minder—het lijkt minder diepgaand, oppervlakkiger; wellicht is de koek op.

Aloude favoriet Swans—“Filth” en “Cop” zijn wat mij betreft nog steeds twee van de beste noise/no wave-albums ooit uitgebracht, meesterwerken van confontratie, ideaaltypes van de perfecte symbiose tussen lyrische intentie, fysieke energie en rauw geluid—maakte met “My Father Will Guide Me Up A Rope to the Sky” een opvallende doorstart, na 14 jaar afwezigheid (“Soundtracks for the Blind” uit 1996 was het laatste album). Ik had Swans sinds de geniale double van “White Light” en “Love of Life” door mijn preoccupatie halverwege de 90s met punkjazz en San Diego guitar indie echter grotendeels uit het oog verloren en was dus niet voorbereid voor de LP “My Father”, die Harry Prenger in zijn top-10 voor 2010 vermeldt. Een vriend van mij, die niet veel op heeft met de Swans van na “Holy Money”, kwam bij eerste beluistering van de LP op de ietwat denigrerende associatie “Nana Mouskouri!” en eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat ik nog steeds niet tot de essentie van het album doorgedrongen ben. Het project dat met “My Father” begon, werd geprolongeerd met opvolger “The Seer”, die opvallend minder scoorde in the Wire (#39) maar de topplaat van 2012 was voor the Quietus, publieksfavoriet “Be Kind” uit 2014 (op #3 in zowel de Wire-lijst als bij the Quietus, en door 5 van de bijdragers tot een van hun 10 beste van dat jaar verkozen—zie de desbetreffende nog te publiceren lijstjes voor 2014) en voorlopig laatste album “the Glowing man” uit 2016, dat gek genoeg in het geheel weer ontbrak in de lijsten, de enige ook die ik niet ken. Het zijn platen die meer tijd vergen dan onze huidige fast food-kijk op muziek toelaat, dus ik zal zeker naar ze terugkeren om ze in afzondering beter te leren kennen. Wat in ieder geval gebleven is, is de volharding waarmee Michael Gira, in geest en geluid, de krochten van de menselijke ziel exploreert. Waar Swans 1.0 grossierde in staccato, abrupte en afgestompte post-no wave, produceerde Swans 3.0 de meest onaflatende, beukende longform miminalistische muziek in hun carrière en überhaupt van de laatste zeven jaar, maar de essentie van Swans, voor het eerst breeduit gepresenteerd op meesterdebuut “Filth”, is nog immer volledig intact.

Dé comeback van 2010 waren voor mij persoonlijk twee andere formaties, favorieten uit de glorieuze begintijd van de electronica (circa ’93 tot ’02): Fenn O’Berg, met de lyrisch makende electronische ‘absolute muziek’ van “In Stereo”—één van mijn persoonlijke tien keuzes voor 2010—en Oval. Fenn O’Berg en Oval hadden hun laatste (reguliere) plaat respectievelijk in 2002 en 2001 uitgebracht (als het duo So heeft Markus Popp daarna nog een album gemaakt). Oval was met de “Oh EP” en daarna de dubbel-LP “O” (door Rutger Zuydervelt genoemd in zijn lijst voor 2010) wederom een volledig nieuwe richting ingeslagen was, zonder het karakteristieke Oval-geluid te verliezen (laten we ook niet vergeten dat de oorspronkelijk Oval, dus vóór “Systemisch”, met de plaat “Wohnton” een ietwat vreemd aandoende, maar toch relatief gewone popband, mèt zang, was).

Oval is altijd uit duizenden herkenbaar, maar “O” en “Oh EP” zijn geenszins te vergelijken met de voorgaande jaren-90 genrevormende glitch-albums “Systemisch”, “94Diskont” of “Dok” of met de self-generative soundscaping van “Ovalprocess” en “Ovalcommers” uit de vroege noughties. Geheel in tegenstelling tot met name de opeengepakte noise van de twee laatstgenoemde LPs is de sound op “O” en “Oh EP” clare et distincte: één specifiek instrument staat centraal, de gitaar, en de focus is op een open, high frequency-geluid. De gitaargeluiden zijn hoogstwaarschijnlijk gesampled of geloopt, in ieder geval highly processed, waardoor je die eigenzinnige Ovalsignatuur ook meteen herkent als een vorm van technopop. Gitaarmuziek voor gitaarhatende technoheads. Met laatste album “Popp”, uit 2016, kent Oval dan wederom een omslag naar een soort maximalisme: een volle, hectische technopop sound, en weer is het onmiskenbaar Oval, maar opnieuw niet te vergelijken met de vorige Oval-incarnaties. Oval anno nu is maximal techno. Markus Popp demonstreert hiermee hoe je binnen een relatief beperkt segment (electronica/techno) met volledig behoud van je eigen signatuur kunt blijven innoveren.

De in 2010 meest in het oog vallende, en volgens sommigen meest gehypte, muziekvorm is ongetwijfeld wat in 2009 door David Keenan in een artikel voor the Wire (aug. 2009) ‘hypnagogic pop’ is genoemd. Nou is het niet mijn bedoeling om hier uitgebreid in te gaan op de achtergrond en betekenis van deze hoofdzakelijke Amerikaanse ‘stroming’ in de undergroundpop van rond de decenniumwisseling. De muziek die onder deze noemer valt is qua geluid ook zeker niet eenduidig qua karakter. Het is meer een bepaalde benadering die hypnagogic albums kenmerkt—een nostalgie naar de softrock, new age en mainstream pop uit de jaren ’70 en ’80, gezien door de wazige blik van de ‘millenial’-generatie, die die jaren vanzelfsprekend nooit zelf letterlijk hebben meegemaakt. “Hypnagogic pop is pop music refracted through the memory of a memory”, zoals Keenan het beschrijft: pseudoherinnering van een niet daadwerkelijk beleefde cultuur. De viering van de tackiness en outdated technologie van die tijd gelden als tropen voor de manier waarop een zekere projectie van een geveinsde beleving direct wordt ‘vertont’: lofi-er dan de lofi uit de begin jaren ’90, en niet zelden met behoorlijk wat tape hiss en valse toonzetting om het hypnotiserende, niet-documentair-reële aspect van de quasi-herinneringsbeleving te accentueren. Het is pure pop-reverie als pop. Je zou hypnagogic pop kunnen zien als een impliciete muzikale cultuurkritiek op de lineaire tijdsbeleving, op de ‘objectieve’ lineaire cultuur überhaupt.

Volgens Keenan zijn de “haunted memory” en “half-dream states” als portalen tot kennis de essentie van de krakkemikkige lo-fi van initiators James Ferraro/the Skaters. In een kritisch essay in de Rewind 2010-editie laat Keenan echter weten niet onder de indruk te zijn van de meeste chillwavers, die in het kielzog van Ariel Pink en the Skaters van zich laten horen, maar het kritische gehalte van hypnagogic juist weer om zeep helpen door het te vercommercialiseren, als genre af te perken en te verpakken—de benaming ‘chillwave’ als synoniem voor hypnagogic vindt Keenan dan ook niet geëigend. Bekende chillwave bands zijn o.a. Washed Out, Memory Tapes, Neon Indian, en zijdelings Peaking Lights (genoemd door Fons Moers in de lijst voor 2011) maar ook het debuut “Causers of This” uit 2010 van Toro y Moi moet daartoe worden gerekend, dat ik persoonlijk een prettig verslavend popplaatje vind en door Spex zowaar in hun top-10 voor 2010 werd opgenomen—en misschien is dat ook net het probleem van chillwave: de jouissance ligt er te dik bovenop, en het kritische muzikale potentieel dat Keenan in de hypnagogic pop zag lijkt bij de chillwavers uitermate beperkt, voor andere doeleinden (een pophit?) geïnstrumentaliseerd.

Zoals gezegd, ook de vroege Ariel Pink (van vóór “Before Today”, dat hier nog op #7 belandt en door Omar Muñoz Cremers en Maurice Dumont wordt genoemd, door laatste zelfs als plaat van het jaar wordt gekozen) behoorde tot de hypnagogic pop, maar daarover meer in het stuk over het jaar 2017, het jaar dat Ariel Pink—m.i. nog steeds relevant getuige zijn heerlijke nieuwe album “Dedicated to Bobby Jameson”—geheel lijkt te zijn vergeten (of beter verdrongen).

Hét label voor hypnagogic pop (meer nog, volgens the Wire “the label of 2010”) was het hippe Olde English Spelling Bee, dat eerder in de jaren nul fantastische noise-albums van o.a. Mouthus, Cousins of Reggae, Robedoor en persoonlijke favoriet Starving Weirdos uitbracht (zie ook de belangrijke split-LP “Copper/Silver van Grey Daturas & Yellow Swans). Cruciale hypnagogic-releases op OESB zijn platen (alle uit 2010) van James Ferraro (“Last American Hero”), Ducktails (“Landscapes”) Autre ne Veut (s/t), met zijn over-the-top Prince-affectaties, en ook het prachtige “Dagger Swords EP” van het Britse Forest Swords—genoemd door Fons Moers in zijn lijst voor 2010—dat strikt genomen niet onder hypnagogic pop wordt gerekend.

De beste hypnagogic-plaat van 2010 is “Suburban Tours” van Rangers, ook op OESB.  Joe Knight, de man achter de ‘formatie’ omschrijft zijn muziek zelf als “dumb, null and vacant”—dat is een adequatere en aantrekkelijkere omschrijving dan het lijkt. Het album, waarvan de track-titels naar stadswijken wijzen, is een soortement post hoc ode aan de Rush hit ‘Subdivisions’ (overigens geniaal nummer op meesterwerk progmetal-album “Signals” uit 1982, waarmee Rush definitief de synthpop-jas aantrok, maar dat terzijde)—de muziek zelf heeft natuurlijk niets uitstaande met Rush en is ook geheel instrumentaal. Wat je op “Suburban Tours” hoort is troebele, vertraagde primitief-gitaristische synthfunk: psychedelische muziek voor souls lost in suburbia. De plaat is hoorbaar gemaakt met zeer beperkte middelen—één oude Yamaha keyboard, heavily processed gitaar en een drumpad. De sound is intentioneel volstrekt vervormd, vertraagd en gecomprimeerd en op een eenvoudige aftandse 8-track opgenomen. Knight zegt er wel bij dat het album niet het resultaat is van een methode, maar gewoon door gebrek aan high end technologie zo eruit rolde. Geen concept dus voor Rangers. In de Wire recensie van “Suburban Tours” werd toepasselijk gesproken van “plaintive melodicism”. De verwijzing naar jaren ’80 Meat Puppets (“II”) lijkt me ook helemaal terecht, maar dan zonder de country-referenties—de overeenkomst zit ‘m in de onbevangen attitude, de schromeloosheid van de lo-fi sound. Het nummer “Out Past Curfew” (laatste nummer van de A-kant) is in mijn optiek de meest sublieme poptrack van 2010: een tegelijkertijd hyper en verveeld-melancholieke, zinsbegoochelende suburban roadmovie soundtrack. Voor popgoeroe Simon Reynolds was “Suburban Tours” plaat van het jaar, en dat moet genoeg zeggen.

Hype Williams: ook hier pop-reverie als pop, maar dan via hiphop en recht-voor-z’n-raap plunderphonics uit de popcultuur, van Drake tot Sade. Hype Williams is dan ook veel experimenteler en conceptueler dan de Amerikaanse varianten (uitgezonderd James Ferraro zelf). Ondanks het feit dat het lukraak bij elkaar geraapt is, klinkt het toch organisch. Hype Williams is weliswaar pure conceptuele kunst, maar het gekke is dat het ook ontzettend genietbaar is en welhaast verslavend werkt. Ik vind het latere solo-werk van Dean Blunt stukken minder interessant, en let wel: de huidige incarnatie van Hype Williams is niet het duo Blunt/Copeland dat de 3 eerste platen maakte (de 180grams limited edition LP “One Nation” uit 2011 is het beste, zie 2011).

Een zijdelings aan hypnagogic pop en de Britse hauntological-scene opkomende (en ook weer snel verdwijnende) stroming is de zogenaamde Witch House—de benaming is tekenend voor de schier oneindige differentiatie van genres in pop en dance—met o.a. oOoOO (op het Tri-Angle label, op #41 in de Wire top-50) en Salem met “King night”, meer refererend aan de gothic kant van de jaren ’80. “King night” is een concoct van house en feeërieke, Cocteau Twins-achtige effecten en zang.  Opvallend is dat the Quietus Salem nota bene op #2 kiest. Salem is op zich niet onaardig (ik heb de cd zelf ook), maar de vraag is of het beklijft (waarop het antwoord nee is).

Het eveneens zijdelings aan de hypnagogic pop gelieerde Emeralds en Oneohtrix Point Never brachten in 2010 carrière-bepalende albums uit op nota bene het Editions Mego label, dat in de jaren negentig (als Mego) furore maakte met harde, vaak noisy computer-based electronica, dat op het eerste gehoor ver afstaat van de sound van Emeralds en OPN. Beide komen net als James Ferraro echter uit de 00s noise voort—zowel Emeralds als OPN brachten bijvoorbeeld albums uit op het noise-label par excellence No Fun Productions, en vooral de vroege Emeralds is noise-georiënteerd, en check ook het uiterst noisy intro-nummer op OPN’s “Returnal”. Mego bracht ook een dubbelvinyl remaster van Emeralds’ voortreffelijke No Fun plaat (“What Happened?”) uit. Onmisbare plaat voor elke synth-muziekfan, net zoals “Does It Look Like I’m Here?”, dat op #18 in de Wire top-50 eindigde en door Bob Rusche en Jesse Burkunk tot één van de beste tien van ’10 werd verkozen—Burkunk verkoos OPN’s “Returnal” overigens boven de Emeralds-LP. De connectie met hypnagogic pop is gelegen in het feit dat zowel Emeralds als OPN ongegeneerd refereren aan de klassieke synthmuziek van vooral Klaus Schulze uit de jaren ’70. Het vroege solowerk van Emeralds-lid Mark McGuire—verzameld op de verrukkelijke dubbele compilatie-cd “A Young Person’s Guide to Mark McGuire” (Editions Mego 2011)—is misschien nog wel het meest hypnagogic: eindeloze loops van delayed guitar, die een buitengewoon hallucinatoir effect sorteren bij de luisteraar (zeker als je de twee discs achter elkaar afspeelt). Het is ongetwijfeld retro wat ze doen, maar met dezelfde knipoog als bij Ferraro en Rangers, en o zo lekker. Opvallend is dat the Wire OPN twee keer achter elkaar op #2 verkiest: ook in 2009 eindigde de voortreffelijke compilatie van zijn eerste drie platen op No Fun, “Rifts”, op die plaats in de Wire top-50.

Een  op het eerste gezicht meer technisch en experimenteel gemotiveerde interesse in analoge, modulaire sound zien we ook terugkeren: beste voorbeeld is Keith Fullerton Whitmans “Disingenuity/Disingenuousness” (terecht op #9 in de Wire-lijst voor 2010), een staaltje van ongekende virtuositeit op de modulaire syntheziser. Absolute klasse.

EN VERDER…

Hypnagogic poppers waren niet de enige die zich lieten inspireren door soft-rock. De supergroup Gayngs, rond Ryan Olson met Justin Vernon van Bon Iver in de gelederen (totaal 22 musici!), maakte een naar nu blijkt eenmalige, toffe plaat, getiteld “Relayted”, geïnspireerd op 10CC’s hit “I’m not in Love’. Alle nummers op “Relayted” zijn geschreven in 69 BPM, met als een resultaat een lijzige, uiterst cool poprock conceptalbum. Een van die weinige platen die zowel pastiche als bloedserieus gemeend zijn. Een uitermate hedendaags klinkende ode aan soft-rock. The Guardian was lovend (zie ook hier) en de NME plaatste het album op #13 in hun eindlijst (het enige andere tijdschrift dat Gayngs dat jaar in de eindlijst opnam was Uncut, op #25). Als relatieve fan van 10CC (en Godley & Creme) kon ook ik niet anders dan Gayngs in mijn lijst voor 2010 te vermelden.

Ook zeker genoemd moet “On Patrol” van Sun Araw, de excentrieke, hogelijk aanstekelijke retrofuturistische spectrale-dub-gitaar-afrobeatplaat die Fons Moers en ondergetekende in hun lijstje opnemen, en op #13 in de Wire top-50 is geplaatst. Een moeilijk te plaatsen plaat, hipper dan hip, in ieder geval uiterst verslavend en derhalve absoluut aanbevolen.

Naast twee onderhoudende remix cds (“Osmosis” en “Industrial Desert”) leverde ‘hauntology’ duo Demdike Stare in 2010 na het debuut album “Symbiosis”—een van mijn tien albums van 2009—met de vinyl-trilogie “Forest of Evil”, “Liberation through Hearing” (genoemd door Maurice Dumont en in de Wire-top-50 op plaats #22) en “Voices of Dust” (later verzameld op de 3cd “Tryptych”) hun eerste meesterwerk af.

Het eigenzinnige speaker-sample-songwriter duo The Books (genoemd door zowel Fons Moers als Peter Bruyn in hun best-of-lijsten) maakte in 2010 hun laatste plaat. Ze brachten in totaal vier albums uit, alle vier essentieel. “The Way Out” is hun geweldige swan song, met stickervellen om je eigen cover te fabriceren! Unieke band. Hetzelfde geldt voor Yellow Swans’ “Going Places” (ook genoemd door Bruyn), en companion cd “Being There”, die gratis bijgeleverd werd bij de vinyl-versie van “Going Places”. Yellow Swans was naast Wolf Eyes dé noise-band uit de jaren nul (luister vooral naar hun meesterwerk “At All Ends” uit 2007).

Thomas Köner kwam na 6 jaar afwezigheid terug met een geweldige nieuwe plaat “La Barca” getiteld (genoemd door Sietse van Erve in zijn lijst). “La Barca” is meer sound-art in de sfeer van Zyklop’s “Zyklop”, maar dan antropologisch angehaucht. (Ik schreef er eerder over.)

Music For Real Airports” van The Black Dog (genoemd door Cremers en Burkunk, maar door the Wire, Spex en the Quietus genegeerd) laat een Black Dog-gone-field-recording horen: het album is een update van Brian Eno’s beroemde “Music for Airports” voor de haastige 21ste-eeuwse reiziger in de welhaast gemilitariseerde hedendaagse luchthavenomgeving. De muziek is niet bedoeld als afleiding of als niet-verstorende omgevingsmuziek, maar vestigt je aandacht nog eens extra op het unheimische karakter van het wachten op je vlucht in een mall-achtige omgeving waar de enig incentive is zoveel mogelijk te consumeren en te kopen. “Music for Real Airports” is dus eigenlijk juist géén ambient, in ieder geval niet zoals Eno dat bedoeld had.

Pantha du Prince, de artiestennaam van Hendrik Weber, de Duitse klassiek geschoolde techno wonderboy, scoorde in 2007 op Dial met het fantastische debuutalbum “This Bliss”, en keerde in 2010 terug, zowaar op het indielabel Rough Trade, met wat misschien wel zijn meesterwerk is: wat je hoort op “Black Noise”, door Spex volkomen terecht op #4 gezet, is zeer begeisternde melodieuze techno/microhouse. Ook opvolger “The Triad” uit 2016 is heel goed. Een van mijn favoriete Duitse dance-artiesten van de afgelopen tien jaar.

De cd “Lost Daylight” van John Tilbury & Sebastian Lexer, een Another Timbre release, eindigde wonderwel op #8, wat niet vaak voorkomt met een plaat uit de ‘moeilijke’ hoek, zullen we maar zeggen. De verstilde piano sonatas van Terry Jennings (merendeels gecomponeerd in de late jaren vijftig, vroege jaren zestig) zijn mooi, maar het echte werk op de disc is een uitvoering van John Cage’s “Electronic Music for Piano” uit 1964. Mooi, exact uitgevoerd, maar dat is met Tilbury gegarandeerd, en fantastisch gemixt en opgenomen door Lexer, een student van Eddie Prévost. Lexers eigen debuut-cd “Dazwischen” (in 2009 uitgebracht op het label van Prévost, dat ook alle AMMs heeft uitgebracht) moet ook zeker gehoord. Eén van de meest interessante en biologerende (enhanced) piano-based muziek van de laatste 20 jaar.

The Quietus zette “Hidden” van het Britse These New Puritans op plaats #4 (in the Wire eindigde de plaat op #45) . Een experimentele beatplaat van een band die met hun debuut “Beat Pyramid” al een uitmuntende, typisch Britse indiepopplaat hadden gemaakt, die teruggrijpt op de staccato sound van The Fall, zonder als epigoon te klinken. “Hidden” deed er nog een schepje bovenop en combineerde de drum-heavy sound met koper- en houtblazers. “Hidden” is voorbij de pop, een soort indie-kamermuziek; een ontwikkeling die voortgezet werd op opvolger “Field of Reeds”. Unieke band, geniale platen.

Twee van de meest bizarre platen van het jaar zijn de debuutalbums van Vindicatrix, een wonderbaarlijk geslaagde mix van dubstep en gemangelde Schubert-Lieder, een soort personificatie van Scott Walker en Shackleton ineen—terecht door wijlen Mark Fisher de hemel in geprezen; ikzelf schreef er dit over—en Sabbath Assembly, een ‘occult rock’-band die (op hun debuut “Restored to One” tenminste, die in de Wire-lijst op #33 eindigde) de echt bestaande satanische hymnen van de “Process Church of the Final Judgment” ten gehore brengen, zonder enige vorm van ironie of pastiche. Dit is zuivere gospelmuziek voor metalfans en het klinkt geweldig (hoewel er muzikaal geen grijntje metal valt te bespeuren). Op latere albums duikt Genesis P-Orridge ook nog op.

Meest obscure plaat uit 2010 in mijn bezit is “IV” van Alaya Viyana, gekocht in Tokyo (het onbetwiste mekka voor platen- en cdverzamelaars), toevallig ook in 2010. Prachtige moderne Japanse folk met een fantastische metallic-monochrome Japans-futuristische cover (zie bovenaan dit artikel). Een held die die plaat op Discogs kan vinden!

Hoewel ‘objectief’ gezien Ariel Pink’s “Before Today” mijn plaat van het jaar zou moeten zijn—“Before Today” vertolkt mijns inziens volmaakt de essentie van pop in 2010—is het album in mijn uiteindelijke lijst toch bubbling under gegaan. Mijn plaat van het jaar en sowieso plaat van de eeuw (jaja, dat kan ik met stelligheid zeggen) is “I Love You Please Love Me Too” van Joseph Hammer, lid van het roemruchte Los Angeles Free Music Society, het soundart/noise/plunderphonics etc.-collectief dat sinds mid-jaren zeventig Los Angeles onveilig maakt. “I love You…”—overigens op een nietszeggende plek #48 gekozen in de Wire top-50—is eigenlijk de ideaaltypische plunderphonics, maar wat het zo uniek, en vooral verslavend maakt, is hoe Hammer als geen ander de tapeloops aaneenlast en een dynamisch raamwerk van allerhande radiofragmenten met een scherp oor voor de lange lijn opbouwt: hij creëert daarmee dezelfde spanningsboog waarmee goede techno de dansvloer in extase kan brengen. Het resultaat is meeslepend, lyrisch subliem, oneindig hypnotiserend, pure psychedelica. En wat er een extra aantrekkelijk tintje aan geeft is hoe Hammer daarbij alleen voor Nederlanders van een zekere leeftijd direct herkenbare, van de radiowaves geplukte Nederlandse schlager in zijn sound integreert.

Over the Wire’s nummer 10, “Necro Acoustic”, de 5cd box van Kevin Drumm, kan ik kort zijn: die moet je gewoon hebben.

En last, but not least, Autechre’s “Oversteps” is een wonderbaarlijk barokke electronica-parel in het oeuvre van het duo, misschien nog het meest vergelijkbaar met hun ambient-meesterwerk “Amber” uit 1994, maar mijns inziens nog beter. Ik had ‘m net als Cremers en Roel Janssen in mijn top-10 voor 2010, maar er zijn gewoon teveel goede platen en “Oversteps” is er daarom uiteindelijk net buiten gevallen. The Wire verkoos “Oversteps” op plaats #20 in hun top-50.

En voor wie dit allemaal te experimenteel en/of te conceptueel vindt, kan altijd terecht bij de fuzziest of surfpop van Wavves. Ik ken het debuut “Wavves” uit 2008 en opvolger “Wavvves” van het jaar daarop. Planet Trash noemt de derde die in 2010 uitkwam. Die ken ik niet, maar ik vertrouw erop dat het meer van hetzelfde is: ongeremde, frisse, extreme lofi hap-slik-weg jongehondenpunkpop.

Goed overigens dat the Quietus The Fall noemt in haar top-10: “Your Future, Our Clutter” is een vanouds sterk Fall-album. Je kunt dus altijd gewoon als een verstokte curmudgeon deze recente Fall opzetten en al het bovenstaande gerust vergeten.

O ja, 2010 was het enige jaar waarbij ik bijna alle 10 platen in de Wire-top-10 ook zelf bezit (alleen Joanna Newsom en Catherine Christer Hennix ontbreken in mijn collectie). Dat is sindsdien niet meer voorgekomen.[*]

LIJST 2010-4

[*] Andere albums die in de lijstjes genoemd worden en ook in de Wire lijst voorkomen zijn de volgende platen: Gonjasufi’s “A Sufi and a Killer”, door Harry Prenger en Maurice Dumont in hun top-10 gekozen; in the Wire eindigde de plaat op een respectabele #14. Sietse van Erve verkoos Catherine Christer Hennixs “The Electric Harpsichord”, op #5 in the Wire, tot zijn absolute plaat van het jaar. De derde LP van Flying Lotus, op #25 in de Wire top-50, werd ook gekozen door Omar Muñoz Cremers en Roel Janssen. Fons Moers zette Elehs “Location Momentum” op #3, in de Wire top-50 stond de plaat op #19. Peter Meeuwsen verkoos de zeer sterke plaat “New Slaves” van de fameuze New Yorkse experimentele formatie Zs tot plaat van het jaar; in the Wire-lijst stond ie op #31. En, last but not least: het verrukkelijke house/disco/kraut-debuut van de Noor Prins Thomas werd door Theo Ploeg tot één van zijn tien platen van het jaar gekozen; in the Wire eindigde het album op plaats #44. In de lijst met additionele aanbevelingen (“En wat dies meer zij”) is er slechts driemaal overlap met the Wire: Helena Gough met “Mikroklimata”, op #21, Hype Wiliams titelloze debuut op #28, en het reeds eerder genoemde “Restored to One” van Sabbath Assembly op #33.

Advertenties

2 gedachtes over “The Wire Rewind 2010-2017: de beste (niet-klassieke) muziek van het decennium tot nu toe—Deel 1: 2010”

Reacties zijn gesloten.