The Wire Rewind 2010-2017: de beste (niet-klassieke) muziek van het decennium tot nu toe—Deel 3: 2012


Eerder schreef ik over de Wire-jaarlijsten in de periode 1997 tot 2012. Nu het op de kop af 20 jaar geleden is dat ik begon met het jaarlijkse uitvlooien van de Wire top-50 albumlijsten (beginnend met de januari-issue van 1998, die toen nog echt in januari uitkwam!) lijkt het me een goede gelegenheid om het decennium tot nu toe eens onder de loep te nemen (van 2010 tot afgelopen jaar). Dit alvast als een aanloop tot de ’10-beste-albums-van-de-jaren-10′-lijst(en) die ik eind 2019 wil samenstellen. Ik las de Wire overigens al sinds 1993, het jaar ook dat ik voor Opscene begon te schrijven; maar op een of andere manier was voor mezelf lijstjesmaken vóór 1998 niet mijn lichtelijk neurotische hobby, terwijl ik als relatieve laatbloeier toen toch al zo’n twaalf jaar actief naar indie-muziek luisterde (sinds 1985). De laatste keer dat ik me überhaupt intensief met lijstjes bezighield was toen OOR-critici  in 1989 De Twintig van Tachtig kozen (die lijst en de individuele lijsten van een aantal scribenten mogen er nog steeds wezen, dunkt me; zie ook mijn eigen jaarlijstjes voor de periodes 1965–1989 en 1990–2009).

In mijn eerdere post over de Wire-lijsten 1997–2012 beschreef ik zeer anekdotisch en subjectief mijn bevindingen over een aantal in die lijsten genoemde albums en maakte ik een keuze van 10 platen uit al de Wire top-10s van die jaren, platen die er wat mij betreft nog steeds absoluut toe doen (ofschoon die keuze niet identiek zou zijn als ik los van the Wire zo’n top-10 zou moeten samenstellen, wat geen sinecure is, gezien de enorme vloed aan kwalitatief sterke albums die in die jaren zijn uitgebracht). In plaats van zo’n top-10 voor het huidige decennium samen te stellen heb ik een vijftiental Nederlandse journalisten, bloggers, radio-DJ’s cq muzikanten/DJ’s gevraagd om voor ieder jaar van 2010 t/m 2017 hun persoonlijke top-10 samen te stellen. Dat geeft mijns inziens, gezien hun diverse, zeer uiteenlopende smaken, een uitstekend beeld van wat er aan belangwekkende muziek in de afgelopen zeven jaar is uitgebracht (gemakshalve wordt klassieke muziek, inclusief ‘nieuwe muziek’, in de strikte zin—grofweg ‘partituur-gebaseerde gecomponeerde muziek die niet door de componist zelf wordt uitgevoerd’—buiten beschouwing gelaten). Vergelijkenderwijs heb ik naast de top-10 van the Wire van elk jaar ook die van the Quietus en Spex meegenomen—dat zijn naast Dusted en Resident Advisor naar mijn idee de meest interessante hedendaagse internationale muziektijdschriften, maar omdat die twee laatstgenoemden geen jaarlijkse top-10s publiceren (overigens wel overzichten), heb ik die niet meegenomen. Als laatste wordt ook een niet-uitputtend lijstje toegevoegd van willekeurige, edoch mijns inziens belangwekkende albums die in geen van de overige lijstjes voor dat jaar worden genoemd.

Elk jaar zal in een afzonderlijke post kort worden ‘geanalyseerd’. Die ‘analyse’ moet men niet al te serieus nemen. Het is niet meer dan mijn subjectieve kijk op elk jaar en de Wire-lijst in het bijzonder. Ik heb niet de intentie om op basis van de beschouwing van de lijstjes tot statistisch relevante bevindingen te komen, noch om een sociologisch dan wel muzikaal diepgaande of zelfs maar adequate beschouwing ten beste te geven. Ik oordeel zuiver uit hoofde van muzikale smaak, en smaak is altijd subjectief, hoezeer smaak—zoals Immanuel Kant al beweerde—ook altijd een claim op universele waarheid legt (geen enkele smaak is immers beter dan je eigen smaak!). Mijn keuzes zijn bovendien volstrekt willekeurig en beperkt tot een aantal in het betreffende jaar opvallende artiesten. Je zal merken dat de liefde voor de onder invloed van de huidige sterk gepolitiseerde Zeitgeist steeds grotere populariteit van R&B in strikte zin (zowel bij de scribenten van the Wire, the Quietus als Spex en meer in ’t algemeen; zie vooral ook FACT, Pitchfork en RA) bij mij vrijwel nihil is. Gelukkig lijken de andere bijdragers getuige hun lijstjes daar net zo over te denken, ofschoon ik natuurlijk slechts voor mezelf spreek. (Hiphop is natuurlijk een heel ander verhaal; zie het overzicht hier.) In ieder geval gaat het met name om de lijstjes zelf, die voor zich spreken en genoeg zeggen over de veelzijdigheid van de hedendaagse muziek—ook los van de Zeitgeist. De lijsten en het bijbehorende ‘essay’ zullen chronologisch worden gepost. Later in maart volgen die voor 2013 en 2014. In april hoop ik de laatste drie te posten: 2015, 2016 en 2017 (de individuele lijstjes voor 2017 kunnen hier al bestudeerd worden). Om de lijstjes onderaan in deze post groter te maken, gewoon erop clicken!

De lijsten voor 2010 en 2011 werden eerder dit jaar gepost. Nu dus 2012. Voor dit jaar is er een gast-essay van de hand van Jesse Burkunk over de briljante comebackplaat “Dependent and Happy” van (wederom) Ricardo Villalobos, niet voor niets ook een top-10 album in the Wire album top-50 (precies op #10). 

2012

2012 was het jaar van een aantal comebacks: meest in het oog springend waren die van DEAD CAN DANCE en NEIL YOUNG & CRAZY HORSE, en iets minder voor de hand liggend, COMUS en BAILTERSPACE. Ook MOUSE ON MARS bracht na een hiaat van 6 jaar een nieuwe uit—het prettig stuiterende en techno-achtige “Parastrophics”. GODSPEED YOU! BLACK EMPERORs laatste, “Yanqui U.X.O.”, dateerde al weer uit 2002 toen ze in 2012 met de door velen langverwachte opvolger “Allelujah! Don’t Bend! Ascend!” kwamen. Ik was geen fan van “Yanqui U.X.O.” (de ‘productie’ van Albini deed het album geen goed, reden waarom ik de cd snel weer doorverkocht had) en ken helaas “Allelujah…” niet; ik kan er dus niets over zeggen. Dead Can Dance wil ik ook kort over zijn: hun comeback-album “Anastasis” is niet bepaald het model voor een geslaagde comeback; het is een bleke afspiegeling van wat DCD in de jaren tachtig, toen ze nog tot de crème de la crème van het hippe 4AD-label behoorden, zo goed en vernieuwend maakte. Ik haakte na “Aion” uit 1990 af als echte fan, maar opvolger “Into the Labyrinth”, een publieksfavoriet naar het schijnt, had op z’n minst nog wel een aantal goede nummers. Die ontbreken op “Anastasis” geheel en al. De fans zullen het ongetwijfeld prachtig hebben gevonden—en het is in zekere zin onmiskenbaar Dead Can Dance (díe uniciteit hebben ze tenminste behouden)—maar persoonlijk denk ik dat ze het beter hadden kunnen laten bij de 7 originele albums (7 is ook een bijbelser getal). Maurice Dumont deelt mijn mening niet en plaatst het album dan ook in zijn top-10 voor 2012 (zie lijstjes onderaan).

Na het psychedelische pagan folk meesterwerk “The First Utterance” uit 1971, en de opvolger “To Keep From Crying” uit 1974, met een andere line-up en veel meer mainstream, heeft het legendarische Britse Comus niets meer uitgebracht (die twee LPs zijn in 2005 samen op een dubbel-cd heruitgebracht). “The First Utterance” is as creepy as hell, ofschoon het merendeels akoestisch is en niet altijd creepy klinkt in de zin van instrumentatie (het is vooral de stem van Roger Wooton met z’n high pitch vocalen die je de creeps geeft). En het is ook vreselijk actueel, met songs over geweld, verkrachting en, hell, insuline-coma-therapie (!). Metal-band OPETH en de folk-experimentalisten van CURRENT 93 waren zeer geïnspireerd door Comus—die laatste hebben het bekende nummer Diana ook gecovered. In 2009 trad, op instigatie van Opeth, Comus voor het eerst in 37 jaar weer op. En toen kwam, drie jaar later, out of the blue ook nog een nieuwe EP met drie nieuwe nummers (Out of The Coma, The Sacrifice en The Return) en een live-bootleg uitvoering van wat de opvolger van het debuut had moeten worden, maar waarvan het nooit gekomen is: “The Malgaard Suite”, met in de bezetting Lindsay Cooper van het latere HENRY COW. Als je Old Weird England zoekt, dan is Comus je ding. England’s real hidden reverse. Maar ik adviseer eerst naar “The First Utterance” te luisteren; die nieuwe EP is immers alleen verplichte kost vanwege die 15 minuten durende “The Malgaard Suite”, ook al is de sound bepaald niet optimaal.

Twee all-time favorieten kwamen ook met comeback-platen: Bailterspace en Neil Young & Crazy Horse. Bailterspace bracht in 2012 “Strobosphere” uit op Fire Records, hun eerste sinds 1999 (in 2004 kwam nog een overigens zeer aanbevelenswaardige compilatie uit met remastered tracks, op Flying Nun, het label waarop ze begonnen waren). Amper een jaar later werd “Strobosphere” gevolgd door “Trinine”. Beide platen zijn een must voor de fan, maar ook liefhebbers van gitaarbandjes in het algemeen zullen zich kunnen laven aan de ultramoderne sound van Bailterspace. Sinds die twee comeback-platen lijken ze weer in het duister verdwenen. In de vroege jaren negentig waren Bailterspace wat mij betreft het noisy neusje van de Nieuwzeelandse zalm, met prachtalbums als “Thermos”, “Robot World” en “Vortura”. Melodieuze, bijna impressionistische noisepop cq -rock, waarbij sound design en ambience minstens zo belangrijk zijn, zo niet belangrijker, als riff of melodie. Bailterspace waren uniek, poppier dan THE DEAD C, hoewel dat niet zo moeilijk is (en dus ook niet zo veel zegt)! Live zorgde Bailterspace voor extreme extase. Een van de voor mij beste concerten ooit was een kort doch heftig optreden in de Ekko, Utrecht, in 1994. Hun kracht live was de abrupte manier waarop songs eindigden en een stilte inlasten die het daarvoor beleefde genot van strakke dissonantie nog extra inprentte. Alsof je je in het muzikale Elysium waande, en dat gevoel werd door menig andere aanwezige daar in de Ekko gedeeld. Ook hun optreden op Tegentonen 1993 was extreem goed. Ik heb ze daarna nog een paar keer elders beleefd. Bailterspace waren de ultimate cool  indie noiseband. Leukste anecdote is wel dat ergens begin jaren nul, toen ik in Londen woonde, ik de deur voor de postbode opendeed, terwijl ik net op dat moment “Robot World”, meen ik, draaide, en hij mij vroeg of dat Bailterspace was wat ie hoorde. Dat kan natuurlijk alleen in Engeland, het land van pop!

De andere favoriet die terugkwam van een tijdje weggeweest waren dus Neil Young & Crazy Horse. Hun laatste dateerde al weer uit 2003 (“Greendale”). In 2012 brachten ze de two-punch “Psychedelic Pill” en “Americana” uit. Het zijn wat mij betreft hoogtepunten in het œuvre van Young & Crazy Horse, in ieder geval het beste sinds “Ragged Glory”, mijn favoriete Neil Young & Crazy Horse-album allertijden überhaupt (“Sleeping With Angels” en “Greendale” zijn niet slecht, maar ik was minder enthousiast over “Broken Arrow” uit 1996, Youngs laatste reguliere album uit de 90s). Peter Bruyn beschouwt “Psychedelic Pill” als een van zijn vier essentiële platen van 2012. “Psychedelic Pill” is heerlijk primitief en sloppy in de beste Crazy Horse traditie en “Americana” is een verzameling van verrassend noisy arrangementen van Amerikaanse traditionals; niet echt op waarde geschat toen de plaat uitkwam—onterecht, want “Americana” is mijns inziens gewoon een topplaat, een klein juweeltje in de sieradenkast van Neil Young. Luister vooral naar de Blu-Ray-uitgaven van beide platen: een feest voor het oor; zoals bekend besteedt Young altijd veel aandacht aan de geluidskwaliteit, en dat is goed te horen in de hogere resolutie van BR. Hopelijk maakt Young nog minstens één plaat met Crazy Horse—met alle respect voor zijn huidige begeleidingsbandje, maar de subliem slodderige herrie van Crazy Horse is natuurlijk niet te verslaan.

2012 was ook het jaar van de massive ZAPPA DSD remasters campaign, onderhandeld met Universal door Gail Zappa zelf (die niet veel langer daarna, in 2015, is overleden), en de langverwachte MY BLOODY VALENTINE remasters. Die Zappa remasters klinken als de beste (DSD, hè?), en zijn voor de Zappa-fanaat een must, maar—voordat u afhaakt—ik zal u niet langer lastig vallen  met de geluidstechnische voordelen van die remasters (ik besef dat de Zappa-fanaat een uitstervend ras is, als het dat niet altijd al het geval is geweest, om over de audiofiel maar te zwijgen). En we moeten ’t hier ook niet over remasters hebben (ik permitteer me straks nog een kleine, noodzakelijke uitzondering). Over My Bloody Valentine zal ik het in de aflevering over 2013 hebben.

BURIALs twee long-play albums uit 2006 en 2007 sloegen in als een bom, en staan nog steeds recht overeind; ik beluister ze nog regelmatig op LP (oude versies, zonder interludes) èn CD (met interludes), en met veel plezier, ofschoon die pitch-shifted vocalen—hoe belangrijk ook voor het conceptuele geheel dat Burial kenmerkt—me soms irriteren. Wat zo goed is aan ze is dat ze je direct, soundwise, herinneren aan de tijdgeest van het Londen van de mid-noughties. Dat aspect kun je natuurlijk alleen echt appreciëren als je er daadwerkelijk gewoond hebt: beluistering van de platen doet je denken aan de typisch Engelse natte straten in nachtelijk Londen; je ruikt de muffigheid van het bovendek in de dubbeldeksbus, waarmee je rond 3 uur ’s nachts meewarig huiswaarts keert van een luid AUTECHRE-concert (ik woonde in Londen van 1999 tot 2005 en van 2006 tot 2012). Maar ook zonder er gewoond te hebben kun je Londen eraan af horen, zo goed zijn die platen: ze verbeelden perfect in klank wat anderszins afwezig is, wat rondsluimert in je hoofd wanneer je na een intense avond in pub of club huiswaarts keert—het is belangrijk om te weten dat de afstanden in Londen behoorlijk groot zijn, niet te vergelijken met Nederlandse steden—Londen is de enige echte metropool in Europa vergelijkbaar met sprawls als Los Angeles, Mexico-Stad of São Paolo.

Maar minstens zo goed als die twee klassieke LPs is de 12″ “Kindred” uit 2012, met de sterke nummers Loner en vooral Ashtray Warp (het titelnummer zit meer in de lijn van die vroege LPs)—in de Wire-top-50 schittert de 12″ door afwezigheid, maar terecht is de ruim 30 minuten durende EP door Theo Ploeg verkozen tot plaat numero 2 van het jaar. Die twee nummers wijken wellicht iets af van het Burial palet op de twee klassieke albums: meer technoid, maar nog steeds met de karakteristieke schemerachtige soundscaping (en ook weer die pitchshifted vocalen, hoewel minder prominent). Latere 12″s halen naar mijn idee niet meer het muzikale niveau van deze en ook de voorgaande, “Street Halo”—uitgezonderd de vrij recente fantastische bijna dark ambient van “Subtemple/Beachfires”, die als een outlier in Burials œuvre kan worden beschouwd (of nieuwe richting?).

Een nog veel experimentelere dubstep variant ontstond in de vroege jaren ’10 in Londen (natuurlijk Londen!): RAIME. Op het Blackest Ever Black records werden in de tweede helft van 2010 redelijk kort na elkaar twee belangrijke 12″s gereleased, eerstelingen op het fledgling BEB label.  Raime is op het eerste gehoor zeker niet zo modern als het R&B inflected “Untrue” van Burial, maar schijn bedriegt. Centrale track op de “Raime EP” was This Foundry en deze track is ook hernomen op het album “Quarter Turns Over a Living Line” uit 2012; beter, want ontdaan van de vocalen die op het origineel nog rudimentair te horen zijn. Waar die EPs nog aanhaakten bij de basiselementen van jungle die in dubstep te horen zijn, is “Quarter Turns…” vrijwel geheel bass en rumble—de beats zijn veel en veel wijdser gearrangeerd dan gebruikelijk voor drum ‘n’ bass, wat het dystopische effect van de sounds alleen maar verhoogt, alsof alles in geofysische tijd plaatsvindt; maar tegelijkertijd heeft het een vreemd kalmerend effect. Te horen, tussen de donkere beats, zijn omineus geplukte bassen (zoals op Your Cast Will Tire en The Last Foundry) en een en al gespannen strijkers (ongetwijfeld hevig ‘electronically treated’), hoewel op de laatste track, The Dimming of Road and Rights, strijkers op meer conventionele manier lijken te worden ingezet. Op RA zegt men over dat nummer en ook het nummer waarmee de de plaat begint:

This imbues proceedings with a baroque sense of dread not dissimilar from THE HAXAN CLOAK, although far less (i.e. not at all) inclined to tip over into quaint archaisms.

Inderdaad, Raime is duister en wellicht vrees inboezemend, maar vermijdt ten enenmale de gebruikelijke tropen van mineur-pop, rock & industrial, hoewel het kloostergezang op de eerste track van de Raime EP nog wel even aan de “quaint archaisms” van veel industrial en gothic acts deed denken; wat je op “Quarter Turns…” hoort zijn daarentegen, bijna op natuurlijke wijze, zuiver de klanken zonder enige faux-romantische projecties.

Raime komt nominaal uit de drum’n’bass/dubstepscene voort, maar “Quarter Turns…” is een perfect voorbeeld van de steeds voortschrijdende Verfransung van genres in de kunst in het algemeen, en popmuziek in het bijzonder: de nog aanwezige beats verraden het als ‘dance’ of ‘techno’, maar het duistere, onheilspellende klankenspectrum als geheel doet meer denken aan de industrial van THROBBING GRISTLE of, actueler, de doom metal van SUNN O)))—je ziet hetzelfde bij nieuwere dubstep acts als PESSIMIST, dat vorig jaar (2017) met een uitstekende LP uitkwam, ook op Blackest Ever Black; men denke ook nog aan het nog experimentelere, tegen sound art aanleunende EMPTYSET, dat eveneens in 2012 hun derde, buitengewoon indrukwekkende album “Medium”, uitbracht (in de Wire top-50 hooggeplaatst op nummer 16).

Wat ook opvalt is de circulariteit van Raime tracks. Je hebt niet het gevoel dat je constant hetzelfde motiefje te horen krijgt, en toch is dat wel zo: de muziek is dus niet repetitief voor het gehoor, maar circulair, want er is geen ontknoping, geen release; men wordt permanent herinnerd aan het (voor de meesten althans) mistroostige bestaan in een mega-metropool als Londen, dat tegelijkertijd fascineert door haar ultra-kapitalistische glitter-façade; van die glitter-façade zie je natuurlijk niets expliciets terug in Raime’s muziek, maar het uit zich in de puurheid ervan. Sublieme kunst ontstaat op de grenslijn van lelijkheid en schoonheid, en Raime’s onheilsnoise is daar een uitmuntend voorbeeld van. Het is dan ook volkomen terecht dat Fons Moers de plaat een mooie plek op 2 in zijn top 10 waardig achtte. In The Wire top-50 eindigde het album op een ietwat lagere plaats (#38).

OM’s vijfde album “Advaitic Songs” borduurt voort op de op voorganger “God is Good” (2009) begonnen verfraaiing van hun kenmerkende basale drum & bass doom metal, dat op derde, en in hun œuvre centrale album “Pilgrimage” uit 2007 (geproduceerd door Steve Albini en Bob Weston!) zijn definitieve beslag kreeg. Sinds dat album kiest OM ook voor een idiosyncratische, herkenbare beeldspraak voor de muziek: de hoezen worden gesierd door Byzantijnse, Oosters-orthodoxe ikonen. Dat is toepasselijk: de muziek weerspiegelt de vreemdheid en vroomheid die uit dergelijke ikonen spreekt. Is dit ironie of pastiche? Ik denk het niet, maar datzelfde kun je je ook afvragen bij de beeldspraak van doorsnee metal. En de idiotie van metal-imagery wordt doorgaans nooit ter discussie gesteld, dus laten we dat bij OM ook niet doen. Ik ga er eigenlijk vanuit dat de Oosterse cq. oosters-religieuze invloed in de muziek van OM diep doorgesijpeld is, en dus een serieuze aangelegenheid is voor OM-constante Al Cisneros.

Met “Advaitic Songs” lijkt OM enigszins softer te zijn geworden, ofschoon die lijn op het fenomenale “God is Good” (2009) al was ingezet. Maar je kunt ook zeggen dat dezelfde aanpak anders ingekleurd wordt. Het gaat om een monomaniacale zoektocht naar verzoening en eenwording (de inversie van de gebruikelijke metal-troop van de nadruk op destructie en isolatie, maar dat is wellicht een cliché, zeker als je luistert naar huidige, experimentelere metal zoals dat van KHANATE en GNAW, die meer doorwrochte existentiële thema’s aansnijden, wat ook in de sound zijn beslag krijgt). “Advaitic Songs” is in dat opzicht misschien wel de meest geslaagde plaat van OM, mede dankzij de grotere aanspraak die op allerhande metal-vreemde instrumentatie wordt gedaan. Afgezien van het redelijk traditionele, maar oh zo lekker inhakkende ‘State of Non-Return’, dat nog het meest herinnert aan de ongepolijste sound van de vroegere OM—circa “Variations on a Theme” en “Conference of the Birds”—steunt de rest van de plaat op hypnotiserende, mooi afgeronde basloopjes en expansieve ritmes, oosterse vrouwenzang en smaakvolle inzet van cello en andere strijkers, en op een enkel nummer ook de Indiase instrumenten tambura en tabla (het is Robert Aiki Aubrey Lowe, bekend van LICHENS, nu vast lid van OM, die overigens de tambura bespeelt). Dit soort inzet van klassieke instrumentatie irriteert me normaliter in pop en rock, maar OM weet het geheel zodanig te arrangeren en te integreren dat het volledig overtuigt. Nummer “Sinai” is zo breed uitwaaierend dat de idee van de pelgrimstocht welhaast wordt verklankt. Als doom metal jazz is, dan is OM’s “Advaitic Songs” te vergelijken met het solowerk van ALICE COLTRANE, of inderdaad de minder bekende, alleen in Japan uitgebrachte plaat “Om” van Mr. COLTRANE himself.

De sound van de LP is overigens eersteklas: vooral de bas en drum denderen 360 graden je luidsprekers uit—dit is de real drum ‘n’ bass! De plaat kent een zeer wijdse dynamiek en soundstaging. Dat men de LP op 45 toeren moet afdraaien draagt daar waarschijnlijk toe bij—meer ruimte voor de groeven, minder kans dat bij al dat laag de naald eruitspringt, ergo hogere geluidskwaliteit. Albini zat, net als bij “Pilgrimage”, ook hier weer achter de knoppen; een regelrechte hedendaagse hifi-demonstratieplaat.

“Advaitic Songs” is door sommige recensenten getypeerd als teveel ornament, te weinig gefocust, kortom te weinig metal, maar van mij mogen ze op de ingeslagen weg doorgaan. In The Wire  lijken ze OM daarentegen opgegeven te hebben (indicatie van de hype-gevoeligheid van het blad!), want enige vermelding van “Advaitic Songs” in zowel de top-50 als de genrelijstjes ontbreekt, terwijl “Conference of the Birds” en “Pilgrimage” nog goed waren voor top-10 noteringen (resp. #9 en #4) in voorbijgaande edities van de Rewind (2006 en 2007).

Nu we het toch over OM hebben (OM bestaat uit tweederde van de klassieke bezetting van de band, hoewel Chris Hakius inmiddels afgehaakt is; de andere 3e, Matt Pike, richtte de stoner metal-band HIGH ON FIRE op): SLEEPs derde album “Jerusalem”/”Dopesmoker” kreeg in 2012 een proper release (de 1999 uitgave onder de titel “Jerusalem” wordt door de band zelf niet als officieel erkend). Dopesmoker is, zoals kenners weten, een stonerrock en doom metal classic. Eén lange riff van ruim een uur op de geneugten van de spliff. BLACK SABBATH verder gereduceerd. De 2012 reissue (uitgebracht op Southern Lord Records) is gebaseerd op de originele tapes en, belangrijk, in een non-edited vorm. Iedereen die OM, EARTH en Sunn O))) goed vindt, moet Sleep gehoord hebben. Op de 2012-editie staat ook een ruim 11 minuten durende live-uitvoering van de track Holy Mountain van de gelijknamige 2e LP uit 1992. Blijkbaar is er een vierde album in aantocht, maar dat wordt al sinds 2014 aangekondigd en ondertussen hebben we ook nog steeds geen nieuwe OM!

This is not for the faint-hearted, zoals PETER HAMMILL zou zeggen. Je hebt noise, en je hebt AUFGEHOBEN. Dat is logisch, want goed hegelisch gesproken impliceert ‘aufgehoben’ ook de volgende, noodzakelijke stap in de onafwendbare logica van Noise. Het laatste album “Khora” was al een tour-de-force waar geen ontkomen aan is (één van mijn topplaten uit 2008), maar “Fragments of the Marble Plan” weet dat nog zowaar te overtreffen. Een totaal overstuurde mælstrom aan geluid, nauwgezet gemixt uit de opgenomen multitracks: het materiaal is gebaseerd op live ingespeelde gitaar, bas en drums, die ook terug te horen zijn in het geheel, maar de focus is—ook weer goed Hegeliaans—op het geheel, niet op de delen. De basis is akoestisch, maar het resultaat is volstrekt digitaal: zonder computer zou drummer Stephen Robinson nooit dit overstuurde geluid kunnen produceren (ofschoon het naar men zegt live ook niet mis is). Dit is niet voor instrument-fetisjisten, en ook niet voor audiofielen bedoeld, bang dat hun installatie het zal begeven onder de onophoudende razernij. Het gaat hier om de synergie van de aan het lawaai bijdragende delen, die gesublimeerd zijn tot een haast misselijkmakend geluidsorgasme. Dit is bijtend zoals black of doom metal ’t niet eens voor elkaar krijgt. Totale distortion dat een gevaar voor je tweeters is. De uitdaging ligt in de weigering de stop-knop in te drukken. Aufgehoben maakt tegennatuurlijke muziek, waar je je pas bij volledige overgave prettig bij zult voelen. De nec-plus-ultra van de Noise. Gewoon het Absolute, dus.

Hard, akoestisch, gemeen, onaflatend. Noise die nu niet eens op minimale drones gebaseerd is of software-generated. DANIEL MENCHE’s “Guts” is precies wat het zegt: je hoort de ‘innards’, weliswaar niet van het beest dat op de hoes staat afgebeeld, maar van een vleugel, in een bruut luide mix. Een noot op de hoes geeft aan dat de signal path van de opname volledig analoog is, om zodoende het geluid van de met hardhandigheid beroerde snaren van de vleugel in levensecht detail over te brengen. Dit is electro-akoestische muziek, in feite, een helse uit de piano geextraheerde kakofonie die over de 4 tracks een voor noise-begrippen zeer wijdse dynamiek weet te benaderen. Cage voor de Mego-generatie. Adembenemend, uitputtend en verzadigend. Noise werd de laatste tijd gemakzuchtig—ik denk aan KEVIN DRUMM’s “Relief” (2012), die enigszins tegenvalt, een herhalingsoefening die niet de frisheid van treble monster “Sheer Hellish Miasma” uit 2002/2007 heeft. Maar “Guts” is zoals Noise moet zijn: op precisie georiënteerd extremisme dat niet gratuit en vermoeiend is, maar juist doordat het tot de essentie weet door te dringen uiterst relevant èn opwindend klinkt.

THOMAS KÖNERrecente “Tiento” trilogie (de 3e, “Tiento de la oscuridad” moet nog uitkomen), is m.i. minder overtuigend dan zijn eerdere werk, ofschoon de 1e, “Tiento de las nievas” (Denovali, 2014), me nog wel kan bekoren. In 2009 was er, 6 jaar na het wijdse sound art kernstuk “Zyklop” onder de naam ZYKLOP, de cd “La Barca”, uitgebracht op het Franse Fario label. Een jaar later werden Thomas Köners essentiële eerste drie platen uit de jaren ’90 (“Nunatak”, “Teimo”, en “Permafrost”) geremastered op vinyl heruitgebracht door het Type label (later in een mooie 3cd compilatie hardcover digipack ge-rereleased). Die zijn voor elke rechtgeaarde ambient/sound-art-liefhebber onmisbaar. Op vinyl klinkt het allemaal nog beter en … meer ambient, want qua sound nog imposanter!

Wat de cd “La Barca” betreft (de iets latere LP-versie is overigens beduidend langer): Nooit zo zeker hoe je dit moet beluisteren—is het muziek of gewoon ’n goedkoop samenraapsel van found sound? Hoe Köner het ook doet, op het minimalistische “Zyklop” uit 2003 pakte de beluistering behoorlijk aangrijpend uit (wat zeker niet sentimenteel bedoeld is). Muziek voor in het vliegtuig, voor een vlucht van pakweg 3 uur of zo. Goed voor psychosonische conditionering of sonische psychotherapie. En d’r zit compositie in, dus dat maakt het tot muziek. Op “La Barca” bevinden we ons, verdeeld over 12 tracks, op 12 verschillende breedtegraden ergens op aarde. Klinkt gekunsteld op papier, maar op de plaat is het intrigerend genoeg om, geholpen door de golven van bas en synth, in de schijnbare glossolalia toch punten van herkenning te ontwaren: mensen in hun dagelijkse en niet zo dagelijkse doen (wat te denken van katholieke gebedsvoorgang?), nietsvermoedend door de artiest Köner, bijna autoritair, ondergedompeld in een auraal bad. Niet dat die menselijkheid noch dat autoritaire belangrijk is. Zoals dat in de psychotherapie vanzelfsprekend is, gaat het om het effect. “La Barca” is, oneerbiedig gezegd, gesubsidieerd effectbejag als muziek, maar in ieder geval uiterst goed gesubsidieerd effectbejag. High art indeed en die ronkende Russische vrachtwagensound aan het begin van de 3e track is cool.

In 2012 verscheen “Novaya Zemlya” (Touch CD; Denovali LP), die in de Wire-top-50 op nummer 32 belandde. Ik was (en ben nog steeds) behoorlijk onder de indruk van dit magistraal stukje ambiente geluidskunst, of hoe je het ook noemen wilt. “Novaya Zemlya” is misschien wel de meest indrukwekkende plaat die Köner ooit heeft afgeleverd, althans als we het geniale PORTER RICKS, zijn nautical techno-project met Andy Mellwig, even niet meerekenen. Het is een en al pulse en textuur, vrijwel pure sound, die nagenoeg subjectloos genoemd moet worden—object-georiënteerde sound art, om een hedendaags faux-filosofisch adjectief te gebruiken. Vanaf de eerste sonore, subsonische bassen bevind je je in een volstrekt desolate omgeving, onthecht van enig interpretatief kader uit de pop, rock, dance of impro. Dreigende rumble en onheilspellende stilte tegen de achtergrond van een enorme lege, arctische ruimte, die over de spanwijdte van de 3 tracks fenomenaal knap worden gearrangeerd en uitgestrekt: dit soort ‘muziek’ dreigt altijd snel saai, of tot behang of ambient-muzak te worden, maar dat is bij Köner nooit het geval. De sounds nemen geofysische proporties aan, wat wordt gereflecteerd in de manier waarop ondanks het ontbreken aan melodieën, beats of ritme (d’r is natuurlijk altijd nog een pulse, zoals in elke serie geluiden) de sound-blokken dynamiek verschaft, in beweging zet. “Novaya Zemlya” is daarom allesbehalve statisch: het klinkt alsof de sounds in geologische tijd plaatsvinden, langzaam maar zeker voortschrijdend.

Zonder daar op expliciete wijze op te alluderen, puur door het arrangeren van sound, white noise en momenten van stilte, effectueert Köner op “Novaya Zemlya” bij de luisteraar welhaast existentiële angst. Het subject, de muzikale ervaring, is dus eigenlijk zelfs hier, in de meest non-muzikale sound van een (mock-)field-recording, niet weg te denken. Dat geeft je te dan weer denken over dat hedendaagse modieuze parool van ‘object oriented’, alsof de subjectieve ervaring überhaupt kan worden weggedacht. Soms hoor je, net als op La Barca, radio-communicatie, maar anders dan op die plaat, blijft het op “Novaya Zemlya” beperkt tot flarden, meer de suggestie van menselijke participatie. Köners werk wordt vaak gecategoriseerd als psychogeografisch: de impact van onherbergzame locaties op de menselijke psyche. “Novaya Zemlya” is naar mijn idee een zeer overtuigend document daarvan.

Boomkat schreef over de debuut-plaat van CARTER TUTTI VOID, een live opname van een optreden op Mute’s Short Circuit Festival, het volgende:

It’s a hard release to classify, carried along by its own improvisational energy and momentum. For the most part its instrumental, save for the odd distorted bark, wail or chant from Nik or Cosey, who sound like nothing so much as a pair of lost tribespeople who’ve escaped from from the grooves of a Jon Hassell or David Toop record.

Dat is een aardige beschrijving, ook al zegt het eigenlijk nog niks. “Transverse” is terecht gelauwerd en klinkt vrij uniek: a one-off live-plaat die laat zien hoe, zoals Scott Wilson schreef in Juno Plus, bijna telepatisch Carter/Tutti en Nik Void te werk zijn gegaan (het is opmerkelijk dat voorafgaand aan ’t concert er geen repetities hadden plaatsgevonden, slechts een paar uur klooien in Chris Carters studio, zonder ooit eerder met elkaar in contact te zijn geweest). De minimale, bijna statische muziek wordt gedragen door een regelmatige pulse en kletterende, metalige noise-geluiden die, voorzover ik weet, grotendeels afkomstig zijn van gitaar (evenwel geen riff within earshot, natuurlijk). Het schuurt enorm, maar tegelijkertijd springt er niets uit: in die zin klinkt het geheel paradoxaal genoeg allemaal vrij harmonisch en logisch: alsof het doorgecomponeerd is. Maar versta dit niet verkeerd: harmonisch betekent geenszins ‘lieflijk’ of ‘onopvallend’ of ‘saai’. Met enige overdrijving schrijft de Pitchfork-recensent terzake:

On Transverse there’s something distinctly unpleasant, something downright nasty, worming its way through the tracks. It’s there in the piercing, eardrum-perforating electronics of “V1”, and it’s there in the lethargy-fueled “V4”, which sometimes resembles rotten sewage slowly pumping through a drainpipe.

De vier live-tracks op “Transverse” (de cd heeft een extra studio-track) zijn de volmaakt uitgebalanceerde mix tussen niet aflatende industrial en gestage motorik: je zou kunnen zeggen dat Carter Tutti Void in feite Throbbing Gristle en NEU ineen zijn!

O, ja, waarom dat testbeeld als cover: “Because it could say anything to anybody.” Dat zegt niets en alles: de vrij abstracte metalige sound en de continue pulse integreren vorm en inhoud perfect, waardoor iedere luisteraar zijn of haar eigen ding erin kan horen: experimenteel, dance, techno, industrial, kraut, noise enz. “Transverse” stond, als een van de weinigen, terecht hoog in de Wire-top-50, namelijk op # 9, en werd ook door Bob Rusche en Gert Verbeek hoog in hun lijstjes geplaatst. The Quietus verkoos de plaat op #3. De studio-opvolger uit 2015, getiteld “ƒ(x)” is overigens minstens zo goed. U moet om, als dat niet al het geval was!

Maar de absolute plaat van het jaar onder de lijstenbrijers—in hun top-10 gekozen door the Quietus, Spex, Omar Muñoz Cremers, Peter Bruyn, Harry Prenger en ondergetekende—is “Bish Bosch” van Scott Walker; in the Wire-jaarlijst haalde de plaat net niet de top-10 (hij bleef steken op #11). Het is moeilijk schrijven over Scott Walker, precies omdat er zoveel over te zeggen is, en niet alleen vanwege zijn radicale carrière-omslag van popster tot avant-lieveling. Je moet echter oppassen dat je er niet teveel in leest. “Bish Bosch”, niet anders dan voorgangers “Tilt” (1995) en “The Drift” (2006), zie ik als een verzameling getoonzette rapsodieën op het verval van de mens, die de mens in z’n meest kwetsbare gedaante laten horen, zonder kitsch te zijn (daar denk je als buitenstaander natuurlijk wel meteen aan, als je die stem hoort en zijn achtergrond als barokke popzanger). Die rapsodieën zijn keihard, zonder pardon, zonder valse beloftes, zonder bullshit—in klank en woord. De stiltes—die Walker fijnzinnig inzet—zijn de stiltes van een anechoïsche kamer, niet die van rustgeving.

Dat melodieën die worden ingezet weer abrupt eindigen, de slashes van korte metalige gitaarriffs, de staccato drummachine op het eerste nummer, de verspreid gesamplede arbitraire sounds uit non-muzikale bron—dat alles bevestigt het rapsodische karakter van “Bish Bosch”. Walker-muziek is industrial of gothic pop zonder de bombastisch-romantische tropen, precies gelardeerde noise zonder dat de mineurstemming al te letterlijk genomen wordt. Het noopt je tot luisteren, maar je komt niet te weten wàt je nu eigenlijk hoort. Dat blijft open. Heel algemeen gezegd: “Bish Bosch” is een reflectie op menselijk falen, maar Walker zou Walker niet zijn als dat niet op uiterst subliem en geraffineerd gearrangeerde wijze geschiedt, zoals Frances Morgan het in haar recensie in The Wire destijds mooi beschreef: “Things fall apart exquisitely.”

Het heeft weinig zin om je af te vragen welke van de drie late periode Walker albums (“Tilt”, “The Drift”, “Bish Bosch”) de beste is—als je er één goed vindt, vind je ze allemaal goed, maar wellicht is het juist dat “Bish Bosch” van alle drie de meest complexe en uitdagende is, het meest late Walker. Overigens, de samenwerking met Sunn O))), “Soused”, van twee jaar later, is natuurlijk ook verplichte kost voor Walker-fanaten: Sunn O))) blijkt de juiste sparring partner voor Walkers klaagdichten. Zie hier voor meer bespiegelingen over het album “Bish Bosch” van de hand van een aantal Subjectivisten.

JASON LESCALLEETs “Songs About Nothing”, op #5 in de Wire-top-50, is een pastiche op de hoes van BIG BLACKs “Songs About Fucking”, de tweede en laatste LP van het roemruchte jaren-80 noise-trio van Steve Albini. Ook de  titels zijn variaties op de titels van die plaat (Big Blacks The Power of Independent Trucking komt terug in de titels van twee Lescalleet nummers: The Power of Pussy en The Beauty of Independent Music ). De titels van beide cds (Trophy Tape en Road Test)—het betreft namelijk een dubbel-cd—zijn dan ook nog eens slimme anagrammen van de side titels van de “Songs About Fucking” LP: Happy Otter, Sad Otter. Qua geluid is er evenwel zeer weinig tot geen overeenkomst. Er lijkt wel een slowed down cover van KRAFTWERKs The Model ten gehore gebracht te worden, parallel aan de cover op “Songs About Fucking”.

De sounds die je hoort op de dubbele cd variëren van field-recording (bv. de track Friday Night in A Catholic Home, dwz je hoort, en op de bijgaande videoclip ziet de vis letterlijk gebakken worden—natuurlijk refererend aan Fish Fry op “Songs About Fucking”, maar toch: een iets te letterlijke metafoor, naar mijn idee), high pitch sine-wavey stuff, random white noise en grotendeels tape-based materiaal, kortom musique concrète à l’américaine. Het is allemaal wel onderhoudend, maar niet echt essentieel. 13 in een dozijn huisvlijt van de noise & tapes-brigade. Lescalleet heeft twee mooie collaboratieve werken met Kevin Drumm afgeleverd (waarover meer in de Rewind van 2014), en ongetwijfeld zal hij nog wel her en der iets interessants hebben gedaan (zijn œuvre is karakteristiek ondoorgrondelijk omvangrijk en ik houd me er niet mee onledig), maar het is niet geheel duidelijk waarom “Songs About Nothing” op nummer 5 in de Wire albumlijst belandde. Misschien was het het conceptuele karakter ervan; en ongetwijfeld zullen er persoonlijke aspecten achter schuilgaan, hoewel me niet duidelijk is hoe die zich verhouden tot wat in de variëteit aan klanken gehoord wordt. In ieder geval is de pastiche op die cover van Big Blacks “Songs About Fucking” niet geheel uniek—KID 606 was ‘m immers voor:

 

LAUREL HALO’s debuut op LP, “Quarantine”, nummer 1 in de Wire-lijst, is evenmin begrijpelijk. Haar tweede “Chance of Rain”, die op #2 in de Wire-top van 2013 eindigde, is meer standaard techno, maar zonder vocalen en beter te pruimen. Dat geldt ook voor de outlier in haar korte œuvre, de dubbel-EP “In Situ” uit 2015. De laatste LP, “Dust”, van vorig jaar was ook met vocalen, maar vond ik op een of andere manier beter te verteren dan de debuut-LP, die hier op nummer 1 staat (terwijl “Dust” het dan weer moest doen met plaats 31). De electronica is op zich niet verkeerd, maar nou ook weer niet heel bijzonder—die valse stem verpest het evenwel voorgoed, hoe intentioneel die valsheid ook mag zijn. Er lijkt een zekere hype te bestaan bij The Wire omtrent Laurel Halo: behalve die twee genoemden stond ook haar debuut-EP “Hour Logic” uit 2011 in de top-10, op #8. Hoe dit ook zij, Laurel Halo’s LP debuut is wat mij betreft overschat, en verdient het zeker niet om als beste album van 2012 te worden gezien—maar affijn, zo zijn de statistieken bij een hype. Het moet wel gezegd dat het niet alleen the Wire is die haar adoreert, ook the Quietus, Spex, en Gert Verbeek (zie onderstaande lijstjes) verkozen de plaat in hun top-10, dus misschien mis ik iets.

Wat overigens BOB DYLAN in die Wire top-10 doet, mag Joost weten—da’s meer iets voor de Mojo of Uncut, zou je zeggen (en niks ten nadele van Mr. Dylan, hoor; ik ben geen connaisseur, dus ik weet niet of deze notering terecht is of niet). Ook de hoge notering voor de 3-cd box van JAKOB ULLMANN lijkt me, wederom, iets van een Wire-hype. Ik ken die specifieke cd niet, maar heb wel twee eerdere werken van de Duitse componist (“A Catalogue of Sounds” en “Voice, Books and FIRE 3”), wiens achtergrond sacrale muziek is. (Bij wijze van uitzondering, omdat ie zo prominent in de Wire top-10 staat, bespreek ik deze klassieke cd, “Fremde Zeit-Addendum”, hier, maar eigenlijk valt klassieke muziek buiten het kader van deze serie reflecties.)

Voor een bepaalde naar verstilling zoekende soort muziekliefhebber zijn zijn uiterst minimale, op de lange lijn gefocusseerde composities als manna uit de hemel, maar het is nou niet van een dusdanig niveau dat je ervan gehoord móet hebben. Het is typisch ‘nieuwe muziek’ geschikt voor mensen die niet erg thuis zijn in hedendaagse gecomponeerde muziek en toch graag eraan willen snuiven—maar enerzijds niet zoveel ophebben met New Complexity (à la FERNEYHOUGH bijvoorbeeld) of anderzijds MORTON FELDMAN te abstract vinden, om twee extremen te noemen. Ullmanns muziek is zeker niet onaardig en kan met koptelefoon op een zeker esthetisch genot teweegbrengen (oppassen dat je niet wegdommelt), maar de aandacht die The Wire eraan besteedt lijkt me eerder een geval van tamtam over een zelfs in de kleine wereld van de nieuwe muziek in de marge opererende Einzelgänger (niet voor niets is het het electronica-label Boomkat dat onder de vage noemer ‘Modern Classical/Ambient’ alle cds distribueert van het label dat Ullmanns muziek uitbrengt, RZ Edition, die door alle hippe punters gretig worden opgelepeld)—en begrijp me niet verkeerd, ik vind het uitstekend wat RZ Edition doet en het label krijgt ook terecht steeds meer erkenning voor wat ze doen: naast het uitbrengen van nieuwe, marginale gecomponeerde muziek zoals Ullmann en bijvoorbeeld PATRICK KOSK brengt het label hoofdzakelijk oude archiefopnamen van belangwekkende nieuwe muziek opnieuw op vinyl en CD uit (ik heb meerdere  dingen van ze, o.a. een zeer gekoesterde LP van LUIGI NONO’s orkestrale werk uit de jaren 80). De aandacht die Ullmann krijgt in The Wire (in 2013 verscheen hij zelfs op de cover) is ‘m natuurlijk gegund, maar ze moeten het niet overdrijven door zijn werk maar meteen op nummer 4 in de eindlijst te zetten (om dan vervolgens—o ironie—het vervolgstuk, “Fremde Zeit-Addendum 4”, uit het jaar daarop volkomen te negeren).

De andere, niet eerder genoemde albums uit de Wire top-10 zijn “Icon Give Thank” van de gelegenheidsformatie SUN ARAW & M GEDDES GENGRAS, “R.I.P.” van ACTRESS, JULIA HOLTERs “Ekstasis” en “Live at the Grimm Museum vol. 1” van CC HENNIX & THE CHORA(S)SAN TIME-COURT MIRAGE. Actress was uitgebreid besproken in de 2010 aflevering. Datzelfde geldt voor Sun Araw, die natuurlijk altijd interessant werk aflevert, maar zijn Jamaicaans uitstapje met Geddes Gengras ken ik niet echt. Of het terecht op no. 2 staat kan ik derhalve niet goed beoordelen. Datzelfde geldt ook voor de twee overgebleven artiesten: Julia Holter heeft ongetwijfeld talent, en het is ook hier weer opvallend dat al haar 3 bekende albums achtereenvolgens in de Wire-top-10 belandden (zie ook de jaren 2013 en 2015)—maar heel eerlijk gezegd vind ik het allemaal erg ‘quaint’ en gewild feeëriek, en niet bijster boeiend. Hennix zit in de lijn van de vorige keer besproken ÉLIANE RADIGUE—niet mijn type muziek maar interessant genoeg om over na te denken of bij weg te zinken. Maar ik laat dit graag over aan Sietse van Erve, die de plaat tot zijn nummer 1 van het jaar verkoos!

Over de genius postmodernicus ARIEL PINK, wiens briljante 2012 album “Mature Themes” (zijn tweede op 4AD) nu eens niet in de hoogste regionen van the Wire belandde (het moest genoegen nemen met #30) maar wel bij Spex kon scoren (#6), kom ik nog uitgebreid te spreken (in de 2017 Rewind).

Verdere, opmerkelijke al dan niet in The Wire top-50 vermelde albums uit 2012 waren o.a.: KRENGs “Works for Abattoir Fermé 2007–11” (Harry Prengers nummer 1 v/h jaar), “Diversions 1994–1996” van LEE GAMBLE, DUANE PITREs “Feel Free”, “The Money Store” en “No Love Deep Web” van de redelijk controversiële electropunk-hiphop-crew DEATH GRIPS, KTLs geniale vijfde album “V” (nog net in de top-10 van  the Quietus, en ook in mijn eigen lijstje), het mooie album van Jörg Burgers & Wolfgang Voigts MOHN (door zowel Bob Rusche als Theo Ploeg gekozen), BRIAN ENOs prachtige pure ambient album “Lux”(topplaat voor Theo Tol), VLADISLAV DELAYs tweede Raster-Noton cd “Kuopio” (vond ook Jesse Burkunk), en DEMDIKE STAREs “Elemental” (zoals genoteerd door Bob Rusche). En natuurlijk KENDRICK LAMARs doorbraak-album “Good Kid, m.A.A.d. City” (no. 10 in de Spex-jaarlijst). Over SWANS, die hun tweede post-comeback album dit jaar uitbrachten (“The Seer”), heb ik ’t uitgebreid gehad in de aflevering over 2010.

DEPENDENT AND HAPPY

Tekst: Jesse Burkunk

“Dependent and Happy” is officieel het vierde studioalbum van RICARDO VILLALOBOS maar is uitgebracht als vier losse 12”s en een CD. Het is een verzameling van tracks die duidelijk op de dansvloer gericht is en een meer energieke vibe heeft dan voorgaande platen. De steady four-to-the-flour beat is bijna altijd aanwezig en de continuous mix CD-versie is van begin tot eind gelocked op een strakke 128 bpm. Toch laat Villalobos hier iets totaal anders horen dan de minimal en tech-house waar de dancewereld in deze periode mee overspoeld werd. Op “Dependent and Happy” worden op typische Villalobos-wijze de frequenties zeer zorgvuldig ingevuld, niets klinkt te luid, vet of overgecomprimeerd voor effectbejag. Villalobos heeft ook geen drop nodig om luisteraars te blijven boeien of een dansvloer in extase te brengen.

De kracht van deze muziek zit in de dynamiek, er is plek voor elementen om subtiel en toch hoorbaar te veranderen en verschuiven. Het geluid van “Dependent and Happy” is dan ook ruimtelijk en avontuurlijk. Wat goed naar voren komt op een aantal tracks is de typische manier waarop Villalobos zijn bas en kickdrums produceert. Anders dan de meeste house en techno herhalen de baslijnen op een aantal tracks niet exact, maar verschuiven ze over een (micro)tonale ladder. Soms verdwijnt de bas achter de kickdrum en andersom, wat zorgt voor een levendige vibe. Ook is typisch voor Villalobos hoe hij op bepaalde momenten met schijnbaar willekeurig geplaatste percussie het hoofd en lijf op het verkeerde been zet.

Toch valt zijn muziek niet bij elke dance-liefhebber in de smaak, omdat Villalobos graag de grenzen van herhaling op zoekt. Hij werkt ook regelmatig met licht onprettig en zelfs dissonant klinkende combinaties die op het ongemakkelijke af zijn. Dat is tegelijk de typische sound en het creatief experiment waar liefhebbers Villalobos om waarderen. Want net op het moment dat het begint te zeuren of schuren, verleg je als luisteraar de focus naar een ander detail, waardoor plotseling het perspectief in klankbeeld of ritme verschuift. Bij een volgende keer luisteren ga je daardoor steeds op nieuwe elementen letten en blijf je zijn geluidswereld verder ontdekken. “Dependent and Happy” is de perfecte, intieme en psychedelische dansplaat die na jaren nog steeds weet te boeien en verbazen.

***

Advertenties

Een gedachte over “The Wire Rewind 2010-2017: de beste (niet-klassieke) muziek van het decennium tot nu toe—Deel 3: 2012”

Reacties zijn gesloten.