The Wire Rewind 2010-2017: de beste (niet-klassieke) muziek van het decennium tot nu toe—Deel 4: 2013


Eerder schreef ik over de Wire-jaarlijsten in de periode 1997 tot 2012. Nu het op de kop af 20 jaar geleden is dat ik begon met het jaarlijkse uitvlooien van de Wire top-50 albumlijsten (beginnend met de januari-issue van 1998, die toen nog echt in januari uitkwam!) lijkt het me een goede gelegenheid om het decennium tot nu toe eens onder de loep te nemen (van 2010 tot afgelopen jaar). Dit alvast als een aanloop tot de ’10-beste-albums-van-de-jaren-10′-lijst(en) die ik eind 2019 wil samenstellen. Ik las de Wire overigens al sinds 1993, het jaar ook dat ik voor Opscene begon te schrijven; maar op een of andere manier was voor mezelf lijstjesmaken vóór 1998 niet mijn lichtelijk neurotische hobby, terwijl ik als relatieve laatbloeier toen toch al zo’n twaalf jaar actief naar indie-muziek luisterde (sinds 1985). De laatste keer dat ik me überhaupt intensief met lijstjes bezighield was toen OOR-critici  in 1989 De Twintig van Tachtig kozen (die lijst en de individuele lijsten van een aantal scribenten mogen er nog steeds wezen, dunkt me; zie ook mijn eigen jaarlijstjes voor de periodes 1965–1989 en 1990–2009).

In mijn eerdere post over de Wire-lijsten 1997–2012 beschreef ik zeer anekdotisch en subjectief mijn bevindingen over een aantal in die lijsten genoemde albums en maakte ik een keuze van 10 platen uit al de Wire top-10s van die jaren, platen die er wat mij betreft nog steeds absoluut toe doen (ofschoon die keuze niet identiek zou zijn als ik los van the Wire zo’n top-10 zou moeten samenstellen, wat geen sinecure is, gezien de enorme vloed aan kwalitatief sterke albums die in die jaren zijn uitgebracht). In plaats van zo’n top-10 voor het huidige decennium samen te stellen heb ik een vijftiental Nederlandse journalisten, bloggers, radio-DJ’s cq muzikanten/DJ’s gevraagd om voor ieder jaar van 2010 t/m 2017 hun persoonlijke top-10 samen te stellen. Dat geeft mijns inziens, gezien hun diverse, zeer uiteenlopende smaken, een uitstekend beeld van wat er aan belangwekkende muziek in de afgelopen zeven jaar is uitgebracht (gemakshalve wordt klassieke muziek, inclusief ‘nieuwe muziek’, in de strikte zin—grofweg ‘partituur-gebaseerde gecomponeerde muziek die niet door de componist zelf wordt uitgevoerd’—buiten beschouwing gelaten). Vergelijkenderwijs heb ik naast de top-10 van the Wire van elk jaar ook die van the Quietus en Spex meegenomen—dat zijn naast Dusted en Resident Advisor naar mijn idee de meest interessante hedendaagse internationale muziektijdschriften, maar omdat die twee laatstgenoemden geen jaarlijkse top-10s publiceren (overigens wel overzichten), heb ik die niet meegenomen. Als laatste wordt ook een niet-uitputtend lijstje toegevoegd van willekeurige, edoch mijns inziens belangwekkende albums die in geen van de overige lijstjes voor dat jaar worden genoemd.

Elk jaar zal in een afzonderlijke post kort worden ‘geanalyseerd’. Die ‘analyse’ moet men niet al te serieus nemen. Het is niet meer dan mijn subjectieve kijk op elk jaar en de Wire-lijst in het bijzonder. Ik heb niet de intentie om op basis van de beschouwing van de lijstjes tot statistisch relevante bevindingen te komen, noch om een sociologisch dan wel muzikaal diepgaande of zelfs maar adequate beschouwing ten beste te geven. Ik oordeel zuiver uit hoofde van muzikale smaak, en smaak is altijd subjectief, hoezeer smaak—zoals Immanuel Kant al beweerde—ook altijd een claim op universele waarheid legt (geen enkele smaak is immers beter dan je eigen smaak!). Mijn keuzes zijn bovendien volstrekt willekeurig en beperkt tot een aantal in het betreffende jaar opvallende artiesten. Je zal merken dat de liefde voor de onder invloed van de huidige sterk gepolitiseerde Zeitgeist steeds grotere populariteit van R&B in strikte zin (zowel bij de scribenten van the Wire, the Quietus als Spex en meer in ’t algemeen; zie vooral ook FACT, Pitchfork en RA) bij mij vrijwel nihil is. Gelukkig lijken de andere bijdragers getuige hun lijstjes daar net zo over te denken, ofschoon ik natuurlijk slechts voor mezelf spreek. (Hiphop is natuurlijk een heel ander verhaal; zie het overzicht hier.) In ieder geval gaat het met name om de lijstjes zelf, die voor zich spreken en genoeg zeggen over de veelzijdigheid van de hedendaagse muziek—ook los van de Zeitgeist. De lijsten en het bijbehorende ‘essay’ zullen chronologisch worden gepost.

De lijsten voor 20102011 en 2012 werden eerder dit jaar gepost. Nu dus 2013. Voor dit jaar zijn er twee gast-essays van de hand van Fons Moers over de comebackplaat “This Time Last Year” van Ultramarine en Arnth van Tuinen over Flaming Lips’ “The Terror”.  De lijstjes van 2014, 2016 en 2017 komen later deze zomer (even geen tijd nu). Die van 2015 volgen in de loop van april. Om de lijstjes onderaan in deze post groter te maken, gewoon erop clicken!

2013

Ook in 2013 waren er een aantal opmerkelijke comebacks: bloody BLACK SABBATH, met een onweerstaanbaar en onverwacht goede door Rick Rubin geproduceerde plaat in de originele bezetting met Ozzy Osbourne, die voor het laatst op het 1976 Black Sabbath album “Technical Ecstasy” te horen was! “13” was ook de eerste Sabbath überhaupt sinds 1995—niet te versmaden, deze nieuwe en hoogstwaarschijnlijk laatste ooit van Sabbath Bloody Sabbath!; DAVID BOWIE, met “The Next Day” (zijn eerste sinds “Reality” uit 2003), door Harry Prenger en Theo Tol als plaat van het jaar gekozen en ook in the Quietus scoorde de plaat hoog (zie onderstaande lijstjes); MAIN, met het uiterst fraaie “Ablation” dat op #20 in the Wire top -50 voor 2013 stond, èn met Stephan Mathieu in de gelederen. Main was de experimentele opvolger van LOOP, de legendarische laat-jaren-80 space/drone-rockband uit Croydon. Zowel live als op plaat was Main in de beginjaren extreem goed. Deze comeback zet de revolutie in sound voort: oude vertrouwde Main, en toch een geheel nieuwe sound.

En dan NOHOME, de terugkeer van Caspar Brötzmann, een van mijn absolute helden uit eind jaren ’80/ vroege jaren ’90, toen hij met zijn primal-rockband CASPAR BRÖTZMANN MASSAKER (met de Venlose Danny Lommen in de gelederen) de podia bestormde (mijn Opscene interview met hem uit 1993 is helaas nooit in print verschenen). Op “Nohome”, de self-titled plaat, speelt hij samen met Michael Wertmüller, drummer-extraordinaire van het onvolprezen Zwitserse avantjazzmetal-gezelschap ALBOTH! (een andere absolute 90s favoriet hier ten huize), en bassist Marino Pliakas (ook FM Einheit is van de partij op een tweetal nummers). Nohome is geniaal en overweldigend, een improv-powerrock-trio zoals een powerrock-trio moet klinken, namelijk níet als een powerrock-trio. Ga dat beluisteren op vinyl, of op z’n minst op cd! De impact kan alleen gevoeld over de stereo in goede high fidelity sound. “Nohome” was mijn LP numero 2 van het jaar.

Verder waren er comebacks van ULTRAMARINE , wier “This Time Last Year”—hun eerste sinds 1998—in een aparte bespreking hieronder door Fons Moers onder de loep wordt genomen, BOARDS OF CANADA (dat verder hieronder kort wordt besproken) en THE KNIFE, meteen hun allerlaatste (zie eveneens hieronder).

Ook genoemd moet VAN DYKE PARKS‘ compilatie van eerder in 2011 en 2012 verschenen singles, getiteld “Songs Cycled”, refererend aan z’n meesterwerk, z’n debuut uit 1968, “Song Cycle”. “Songs Cycled”, met heel mooi artwork (hoes en booklet), is zeer onderhoudend en typisch out of joint en out of time, maar kan het niveau van dat debuut, een van mijn persoonlijke favorieten allertijden, natuurlijk niet evenaren, maar da’s ook onbegonnen werk. “Songs Cycled”, dat bijna 20 jaar na zijn laatste album “Orange Crate Art” (1995) is verschenen, is onmiskenbaar Van Dyke Parks en een must voor elke fan.


En dan was daar zomaar opeens, na jaren van valse hoop en uitgestelde verwachting, het derde album van MY BLOODY VALENTINE, eenvoudigweg “m b v” getiteld, in the Wire top-50 gekozen op #21. Men had het niet durven dromen, maar het is een prachtalbum, natuurlijk niet zo goed als “Loveless”, maar dat kan ook niet. Het feit dat het gedeeltelijk uit oud materiaal bestaat, blijkens de experimenten met drum ‘n’ bass op de tweede helft van de plaat, doet er niets aan af. (Naast ondergetekende kozen ook Omar Muñoz Cremers en Gert Verbeek de plaat in hun top-10.) Ik kom in een later, apart essay uitgebreider terug op de unieke sound van My Bloody Valentine, ook in verband met de essentiële recente remasters van de analoge tapes voor de vinylheruitgaven van “Isn’t Anything” en “Loveless”, die laatste natuurlijk dé heilige graal van noise in de popmuziek, en in puur muzikaal-estetisch opzicht het allerbeste wat popmuziek überhaupt vermag.

BOARDS OF CANADA’s vierde album, “Tomorrow’s Harvest”, verscheen 8 jaar na de laatste, die door het gebruik van akoestisch gitaar landelijker (en lieflijker?) klonk dan het duistere meesterwerk “Geogaddi” (waarvan het beste nummer natuurlijk mijn geboortejaar was). De mythevorming rond Boards of Canada is gedeeltelijk gebaseerd op het feit dat ze niet voldoen aan het geijkte release-patroon van de meeste bands—tussen het debuut en tweede plaat “Geogaddi” zat 4 jaar, vrij lang voor een act die net komt kijken, en tussen “Geogaddi” en “The Campfire Headphase” zaten ‘slechts’ 3 jaar, maar tussen die laatste en de nieuwe dan weer maar liefst 8 jaar. “Tomorrow’s Harvest” is dus in zekere zin een comeback, in de termen van iedere andere muziekformatie. Maar Boards of Canada is niet als iedere andere muziekformatie. Ze hebben hun eigen ritme, sound en genre geschapen dat ongeëvenaard is: IDM-electronica op een bed van lichtelijk op hiphop geïnspireerde beats, niet al te tricksy, en uitermate melodieus zonder ook maar enigszins plat of té toegankelijk te klinken. Over toegankelijkheid gesproken: “Tomorrow’s Harvest” ligt zo verraderlijk makkelijk in ’t gehoor dat je gedwongen wordt om echt te luisteren om niet het gevaar te lopen dat je beseft eigenlijk niet geluisterd te hebben wanneer de cd voorbij is. Dat is zeker geen kritiek op de plaat, maar zegt meer iets over het subliminale karakter van de muziek: het spreekt aan op het sympathisch niveau, en dat maakt Boards of Canada zo verleidelijk goed. Platen van Boards of Canada moeten in hun geheel beluisterd worden.

Ze zeggen dat vooral oude film-soundtracks uit de jaren 70 en 80 de inspiratiebron waren voor de muziek. Dat kun je er wel aan af horen. De beats zijn meer standaard dan op eerder werk, maar de kenmerkende klankkleuren zijn nog meer aangescherpt. Het is allemaal redelijk duister en omineus, maar niet te sterk aangedikt: perfecte combinatie van popsensibiliteit en somberheid. Ik denk dat je er verder niet te veel achter moet zoeken, maar een ding is zeker: de melancholieke electronica van Boards of Canada is, hoe eenvoudig het ook is, sui generis. De plaat bleek ook favoriet bij Bob Rusche, Omar Muñoz Cremers, Gert Verbeek en Jesse Burkunk (zie hun respectieve lijstjes hieronder); in The Wire top-50 voor 2013 stond de plaat op #23. Maar is “Split Your Infinities” nou een grappige titel of niet?

Het albumdebuut van FACTORY FLOOR is na de meer industrial-achtige pogingen op de twee voorafgaande EPs een regelrechte winner. Het industrial karakter is niet verdwenen—maar royaal gelardeerd met elementen uit house (neem de vocale snippets op Here Again bijvoorbeeld) en techno is het albumdebuut een lichter verteerbaar amalgaam van opwinding en uitgestelde release dat het midden houdt tussen industrial en dance. NME noemde het electro brutalism en dat lijkt me een zeer adequate benaming.  De staccato ritmes en squelchy synths, tezamen met Nik Voids prettig verveelde vocalen, garanderen een spannende opbouw die nauwelijks verandert, nergens naar toe gaat, maar geenszins verveelt. Op elk nummer wordt geleidelijk, en elke keer anders, uit de minimale basismiddelen een drogerende, stuwende mælstrom aan modulaire geluiden, pulses en beats gecreëerd, altijd met de industrial-achtergrond in gedachte, maar zonder ook maar een keer te verzanden in obligate noise. Puike electro in mineurstemming dus. Fall Back en How You Say zijn mijn favoriete tracks op de plaat.

Heel soms doet de sound denken aan die van labelgenoten THE JUAN MACLEAN (die natuurlijk sterk door HUMAN LEAGUE zijn beïnvloed), maar Factory Floor is veel donkerder van kleur, en natuurlijk stukken minder poppy: je zou Factory Floor als een contemporaine voortzetting van de meer technoid THROBBING GRISTLE van “20 Jazz Funk Greats” kunnen beschouwen (niet voor niks is Nik Void ook deel van het eveneens fantastische CARTER TUTTI VOID, die ik vorige keer besprak). Ook opvolger “25 25” uit 2016 mag er wezen. Behalve ikzelf vonden ook Bob Rusche en Theo Ploeg “Factory Floor” top-10 waardig en ditto gold dit voor zowel the Quietus als Spex (zie onderstaande lijstjes). Gek genoeg wordt het album in de Wire Rewind in het geheel niet genoemd.

Het afscheidsalbum van THE KNIFE, “Shaking the Habitual”, staat op #10 in the Wire-top-50 van 2013 en op #6 in de jaarlijst van Spex. Ook Bob Rusche, Omar Muñoz Cremers, Jesse Burkunk en ondergetekende kozen het album in hun top-10. Het is vergeleken met voorganger “Silent Shout” een behoorlijk avantgarde album geworden, en  ook stukken langer, verdeeld over 2 cds; 6 van de 20 nummers bereiken lengtes van om en nabij de 10 minuten, en het laatste nummer op de eerste cd duurt zelfs bijna 20 minuten. Electropop in de sfeer van die overigens uitstekende voorganger uit ook alweer 2006? Dat had u gedacht! Die electro-elementen zijn nog steeds volop aanwezig, en nog meer aangescherpt, vetter, platter, ruwer, more-in-yr-face dan ooit, maar er is ook ruim baan gemaakt voor ronduit experiment, lange onheilspellende ambiente composities, met fluit gelardeerde folk-achtige tribal muziek zoals op Without You My Life Would Be Boring en plechtige, gothic-achtige liederen. Het art work mag er ook zijn, met die uitvouwbare morele vertellingen cq. socio-economische kritiek in minimale stripvorm en alles uitgedost in een kleurencombinatie van turquoise en cyclaam-roze. Is het het beste werk van The Knife? Geen twijfel mogelijk. Het overtreft ook het solowerk van FEVER RAY, wier laatste “Plunge” uit 2018 vrij hoog bij mij scoort—en dan met name vanwege het productiewerk van PEDER MANNERFELT; over de obligaat nieuwerwetse lyrics doorspekt met identiteitspolitieke problematiek ben ik bepaald niet enthousiast. Wat ook verder te zeggen valt over die teksten, op “Shaking the Habitual” is het muzikaal evenwel allemaal net even gedurfder, ongewoner, onheilspellender en stukken minder voorspelbaar dan op vorige platen; The Knife hebben hier echt een va banque-attitude aangenomen, waarschijnlijk ook omdat ze wisten dat dit de laatste plaat onder The Knife-noemer zou worden. En dat betaalt zich ruimt terug. Het is een voortreffelijke zwanezang geworden.

Zo’n nummer als A Cherry on Top heeft helemaal niets met pop laat staan electropop te maken en is toch op maat gemaakt voor de plaat. Wrap Your Arms Around Me is een heel mooi zwaar elegisch nummer. De eerste track op cd 2, Raging Lung, is misschien wel het mooiste wat ze ooit gemaakt hebben: traag, opwindend en hemels tegelijk, met wijdse percussie en allengs lichtelijk verstorend-verstuurde sinusgolven. Afsluiter Ready to Lose is een lekker sinister slow-electropopnummertje. Er staat geen of nauwelijks filler op deze ruim anderhalf uur (!) durende dubbel-cd, en dat wil wat zeggen. Achter de muziek zit, zoals gezegd, een heel arsenaal aan lichtelijk overspannen kritisch sociaal-politiek gedachtegoed—The Knife zijn niet bepaald lolbroeken—dat je ook gewoon kunt vergeten terwijl je van de bij tijd en wijle uiterst experimentele muziek geniet. Not for the faint of heart!

“Coming Apart”, het studiodebuut van het no-wave-gitaarduo Kim Gordon en Bill Nace onder de naam BODY/HEAD herinnert onmiddellijk aan het minimale geluid van vroege SONIC YOUTH—”Bad Moon Rising”, “EVOL” en in iets mindere mate aan “Sister”, dat bij tijd en wijlen veel meer een rock geluid liet horen, iets wat op “Coming Apart” ten enenmale ontbreekt, niet in het minst door de volledige omissie van een ritmesectie. Het doet daarmee enerzijds ouderwets tegendraads aan, maar anderzijds werkt de plaat temidden van al die compressed maximale sound van hedendaagse pop zeer verfrissend. Eindelijk weer eens een noiseplaat die geconcentreerd is om de ambachtelijk met de hand bespeelde gitaar, en niet geëdit is uit electronisch geproduceerde drones, zoals bij veel huidige capital N Noise het geval is.

De nadruk ligt op textuur, die merendeels wordt geëffectueerd door een simpele, doch heldere gitaarlijn tegen de achtergrond van modulerende rauwe gitaarnoise, versterkt middels de van SY bekende alternative tuning. Het gaat hier bijna uitsluitend om het schetsen van een sfeer op basis van boventonen en white noise. En die is bepaald donker. Body/Head maakt spectrale muziek, muziek die niet vooreerst op structuur of vorm georiënteerd is. De titel van de plaat schijnt te refereren aan een gelijknamige film van Milton Ginsberg, mij onbekend.

Een van de opvallende kenmerken van de plaat, die het ook tot een succes maken, is dat de songs geen verse/chorus kennen, maar vrijelijk variëren. Ze zijn gebaseerd op improvisaties in de studio, komen tegelijkertijd niet over als zodanig—dit is geen typische plink-plonk improvisatie; tonen worden de ruimte en tijd gegeven. “Coming apart” is een sterk voorbeeld van instant compositie en een bijna landschapsarchitecturale vormgeving in het geluidsspectrum. Het andere opvallende kenmerk is dat behoudens Gordons stem al het geluid wordt geproduceerd door het samenspel tussen twee gitaren. Bas en drum worden in het geheel niet gemist; integendeel, die zouden door hun intrinsieke rockaspecten (focusserend op ritme) juist een verstorende werking hebben op de filigrane textuur en klankkeur die met de gitaren wordt gecreëerd.

De samenhang ook tussen thematiek en geluid, de configuratie ervan als expressieve kunst, wordt versterkt door een overvloedig gebruik van echo en reverb. Dergelijke sonische trucs staan in dienst van de lyrische thema’s: mannelijke dominantie, vrouwelijke wanhoop, verlangen en vleselijke lust, naïviteit, the gaze/stardom (dat laatste in het nummer Actress). De muziek is sensueel en intuïtief in zijn vrije vorm. Er zijn weinig improvisatieplaten, zeker niet van het geijkte type, die subjectiviteit en sound zo weten te integreren.

In het nummer Abstract, waarmee de plaat aanvangt, nemen Gordon en Nace de ruimte en de tijd. Door het ontbreken van enige bottom end is de sound geheel afhankelijk van louter gitaar feedback, eenvoudige strumming en quasi-pizzicatos, en Gordons lijzige, vlakke vocalen. Op 4:23 resulteert het treble-gepiel dan in meer sustained feedback. Ondanks de schijnbare structuur- en vormloosheid doet het geheel volstrekt natuurlijk aan. Men ervaart de dynamiek van de feedback-exercities als subliem, niet als repetitief irriterend lawaai. Vragen over schoonheid zijn hier niet relevant. Evenmin noise als concept, maar als een zoektocht naar expressiviteit in sound, die  de luisteraar dwingt tot het herstructureren, in haar subjectieve beleving, van de gehoorde soundscapes als popsongs.

De track Murderess is a capella, met als enige begeleiding de nauwelijks hoorbare lichte klopjes op de gitaar op de achtergrond van het geluidsspectrum, die zich laten aanhoren als vage hartslagen. Door Gordons langgerekte exclamaties heeft het iets geaffecteerd maar ook affectiefs.

Het simpele ‘strummen’ op de gitaar op nummer Last Mistress correleert volstrekt met het allengs luider klinkende gepiel van de tweede gitaar, versterkt door Gordons lage eentonige vocalisaties. De komische kreetjes (hoor ik: Woof! Woof!?) zijn dan de interjecties in de cadens van de striemende feedback, die op een gegeven moment bijna symfonisch wordt en een merkwaardig fijne melodie voortbrengt, waaroverheen Gordon op zeker moment luider inzet en in een hoger register gaat zingen: “the last mistress/ pissing like a dog/ territorial markings” (het klinkt bijna als “territorial barkings”). Haar zang gaat bij aanvang van de coda over in een ‘high pitched voice’. Hoe een totaalgeluid uit zulke minimale middelen getoverd kan worden is een niet gering wapenfeit van deze plaat. Last Mistress is extreem goed, en kan zich meten met willekeurig welk nummer uit het Sonic Youth-werk van de periode 1985–90, de hoogtijdagen van de band.

Het nummer Actress lijkt dezelfde middelen in te zetten, maar is zeker niet inwisselbaar met de andere tracks. Wederom kenmerkend is het dubbelspel tussen de twee gitaren, waar de een mutatis mutandis de traditionele rol van ritmegitaar inneemt, de ander die van de sologitaar, zonder ook maar enigszins een hint van rock te laten horen.

Het ongetitelde interludium geeft enig respijt met een welhaast Lanois-achtige Louisana style gitaarlijn, die zich echter gelukkig daarvan onderscheidt door een sterk verwaterde klankkleur: noise als een impressionistische miniatuur-acquarel.

Can’t Help You lijkt op het eerste gehoor meer straightforward. Bijna singer-songwriter-achtig, ware het niet dat beide gitaren (rhythm/background melodie) volstrekt verrot klinken en tegen de 4e minuut alsnog een krankzinnig noise crescendo aanvangt. Dit gaat direct terug op de no wave van bands als UT en MARS of wat dichterbij in de tijd: de lo-fi van begin jaren negentig. Als Kim Gordon Kim Gordon niet zou zijn had elk major label dit afgedaan als puberale demo-huisvlijt.

Aint is een hertoning van een nummer van NINA SIMONE, volstrekt onherkenbaar natuurlijk, ook al zou je het nummer kennen (ik ken het in ieder geval niet). De rondzingende noise-toon waarmee Aint inzet is ronduit prachtig, waaroverheen Gordon in een even rondzingende echo de lyrics eerder declameert dan zingt.

De laatste twee nummers van de plaat zijn beduidend langer. Ze versterken het ruimtelijke aspect. Black, gebaseerd op de traditionele Amerikaanse folk song Black is the Colour (of My True Love’s Hair), is uitgerekt tot een nummer van meer dan 13 minuten. En de laatste track van de plaat, Frontal, beslaat een hele plaatkant (17 minuten), en is wellicht een tikkie te frontaal-zelfexpressief, of misschien juist eerlijk over een bepaald soort naïviteit: “What can I do when I’m in front of you / I feel so weak, so stupid too”. Hoewel: de steeds verzengender wordende noise coda die zo’n 2 en halve minuut tegen het einde inzet maakt veel goed: het steeds maar herhaalde “You would have killed me/Had you not raped me” tegen een achtergrond van pure feedback komt in zeker opzicht theatraal over, maar is niet minder effectief in het direct aanspreken van ons sympathische zenuwstelsel. “Coming Apart” was mijn plaat van het jaar 2013. En Body/Head is wat mij betreft het beste dat uit Sonic Youth is voortgekomen. De Wire-scribenten vonden blijkbaar van niet, want de plaat wordt op geen enkele wijze in de 2013 Rewind gerefereerd.

Men weet dat echte verrassingen bij AUTECHRE (Æ) bijkans uitgesloten zijn, en toch wacht men, als onverbeterlijke fan, met spanning af: hoe zal de nieuwe klinken? Is Æ nog wel avantgarde, ruim vijftien jaar na hun absolute meesterwerk “Confield”, ontegenzeglijk het toonbeeld of archetype van computergecomponeerde populaire electronisch muziek? Het in 2010 verschenen “Oversteps” was mijns inziens een welkome afwisseling, een perfecte studie in expressiviteit in electronica, waarmee Æ nu eens niet focuste op beats, maar op textuur en klankkleur. Die gang lijkt op “Exai” weer teruggedraaid ten faveure van platen als “Draft 7.30” en “Untilted”, met kleine wenkjes naar het meer ambiente werk uit midjaren negentig en de abstract-experimentele miniaturen van “LP5” en “EP7”. Opmerkelijkerwijs eindigde “Exai” in the Wire top-50 vrij hoog op nummer 13—opmerkelijk, omdat the Wire graag wordt gezien als een blad dat op de hoogte is van de nieuwste trends, en Æ is nou niet bepaald hip.

De eerste track Fleure: kletterende beats tegen een achtergrond van een fijnzinnige melodie, het tweede subject, gepunctueerd door sonore drilboren en scherpe, tsjilpende noise-geluidjes die de cadens doorbreken. De kletterende beats houden stil, de sonore trillingen zetten zich voort, de break treedt in bij pakweg 4 minuten. Het is een zoektocht naar melodie, bijna; dan willekeurige beats/sounds/glitches. RENE HELL-achtige drumbeats pakken een andere melodie op. Is de Hell-referentie intentioneel of is het gewoon het type software dat hier wordt gebruikt? Niettemin, Fleure is een fantastische opener.

Tweede track, het ruim 10 minuten durende Irlite, doet onmiddellijk denken aan het meer orkestrale “Oversteps”, het wat mij betreft geniale understated staaltje van expressiviteit en door sommigen miskende album van 3 jaar eerder, ofschoon ook hier, op Irlite, de snares een persistente backbeat verschaffen en de klankkleur iets donkerder is. De ruimtelijke synth pads die weerklinken, en de daarop ingezette harmonische melodielijn, appelleren aan pure schoonheid. Hoezo geen emotie? Dit is Æ op z’n meest lyrisch en glanzend, net zoals we op “Oversteps” konden horen, of inderdaad op het veelgeroemde “Amber” of “Tri Repetae”, waarnaar veel onverbeten romantici die afhaakten bij het duistere, en verwrongen “Confield” (of nog eerder, het merendeels door de critici veronachtzaamde “Chiastic Slide” uit 1997) terugverlangen. De bassen van Irlite zijn overigens behoorlijk prominent. Fantastische symfonische electronica, met een wijdse dynamiek die vaak ver te zoeken is in de meeste electronica. Je zou het ‘prog-electronica’ kunnen noemen.

Volgende track Prac-f, met zijn wild echoënde electro beat-o-logie, is weer wat stroever en abstracter en ligt meer in de lijn van sommige tracks op “Draft 7.30” of zelfs “Confield”, of inderdaad een wat zwaardere versie van nummers op “LP5”. Fact Magazine spreekt toepasselijk over M. C. Escher-achtige recalibreringen van wat in grond der zaak electro-muziek is. Niet verkeerd. Jatevee C is, met z’n typische snare-sound, al genoemd als Æ-gone-dubstep gelardeerd met een typisch abstract Æ synth-riedeltje, maar overtuigt mij het minst. Als dit inderdaad ontleend is aan dubstep dan voegt het niet heel veel toe. Beter om het gewoon als door-de-bank Æ te beluisteren. Niet slecht, maar ook geen hemelbestormend nummer.

T ess xi is vrij standaard klassieke Æ, met knisperende, softe beats; doet denken aan de “Cichlisuite” EP, circa 1997, met de harde ritmes die volgen dan weer direct geplukt van de geniale EP “Anvil Vapre” tegen een licht monotoon ambient-tapijtje. Heel aardig, maar het gevoel bekruipt je dat Æ dit eerder, en beter heeft gedaan. Het is opvallend hoe ondanks de noise van de door elkaar lopende ritmepatronen het geheel behoorlijk harmonisch en recht vooruit klinkt: geenszins zo tegendraads, laat staan claustrofobisch, als op “Confield” bijvoorbeeld. vekoS, met z’n stroeve melodielijn die nergens heengaat, komt ook te bekend voor: vekoS is een platitudineuze cul-de-sac, een noisy ritmisch niemandalletje dat weinig bevredigt en ook te lang duurt.

De stompe, logge ritmiek van Flep laat zien dat Æ ook letterlijk lelijke muziek kan maken. Flep is een pronkstuk van lompheid, met scherpe synth-flarden die nog enige voortjakkerende dynamiek aan het op zich ontzettend logge nummer verschaffen. Contrapuntisch componeren is kenmerkend voor Æ, en geeft daarmee in essentie simpele structuren toch nog die karakteristieke stompigheid mee; maar zoals bij vekoS is Flep vooral een muzikale road-to-nowhere: lineaire opbouw zoals op “Confield” tracks is er niet, lineaire repetitie des te meer. Flep is essentieel Æ, en ook goed, maar ik waag te betwijfelen of nieuwkomers met zo’n nummer instant Æ aficionados worden.

Tuinorizn begint dan veelbelovender met het aanzetten van een melodielijn die een lyrische, meer complexe, ontwikkeling in zich draagt en niet verdwijnt in zijn eigen autistische gedreun. De busyness van de bassy dreuntjes tegen een simpele serie viermaats klappen lijkt echter meer dan het is, waarbij de quasi-radiofonologische geluidjes aan het eind niet veel meer toevoegen; maar toch leuk nummer. De echo en met veel delay geproduceerde aanvang van bladelores is, zo lijkt aanvankelijk, Æ-goes-BASIC CHANNEL, maar al snel is duidelijk dat Æ gewoon Æ nadoet. Bladelores komt over als een aquatisch dansnummer dat eigenlijk te traag is om op te dansen, maar wel meer dan 12 minuten voortduurt, het langste nummer van de plaat; zoals de Engelsen zeggen: “it long outstays its welcome”. En zo eindigt cd 1 (plaatkant D) niet echt overtuigend. Meer Æ als painting by numbers.

CD 2 of plaatkant E, met het nummer 1 1 is, begint met dezelfde stramheid als op Flep, maar doet ook denken aan de abstracte miniaturen van het wat oudere Æ uit de jaren negentig (circa “Chiastic Slide” en vooral “LP5” en “EP7”). Het licht atonale, bijna mediëvaal aandoend intermezzo van na pakweg 4 en 1/2 minuten heeft een prettig effect, dat allengs uitmondt in een noisy coda dat mooi overgaat naar de opmerkelijk heldere inzet van het daaropvolgende nummer. 1 1 is is een geslaagd nummer. Dat geldt ook voor nodezh dat nog het meest lijkt op het werk op “Oversteps”, met zijn licht melancholiek aangezette melodie, reverb-y beats en wijdse dynamiek, die gaandeweg worden begeleid door diepe, heerlijk overstuurde, theatraal aandoende synths. Nodezh is een kernvoorbeeld van de harmonieuze kant van Æ.

Runrepik had zo op “Draft 7.30” of “Untilted” kunnen staan. Mainstream electro-funk, met lichtelijke oversturing, dat evenwel niet echt beklijft. Dat kan MOUSE ON MARS—zoals op hun laatste, onvolprezen “Parastrophics”beter, strakker, en vooral met meer gevoel voor pop. Bij Æ lijkt het meer op een stramme proeve van bekwaamheid. Die souplesse ontbreekt ook op Runrepik en het daaropvolgende spl9, waar MOM’s “Parastrophics” juist uitblinkt in kneedbaarheid. ‘Autechre + funk’ is mijns inziens de minst aantrekkelijke zijde van Æ. Voor mij zijn de ‘mindfuckery’ van “Confield” en het geniale eerste deel van “Draft”, en een enkel nummer van “Untilted”, exemplarisch Æ, de avantgarde Æ die ik eeuwig kan aanhoren.

Cloudline is een lekker trage en monotone, ruim 10 minuten durende electronica moloch. Er gebeurt vrij weinig, is typisch Æ, en klinkt toch, hoe vreemd ook, … verfrissend. Deco Loc 2 komt in de buurt van een SND-oefening in zijn mathematische focussering op snare/bekkens zonder context, een richting die Æ wat mij betreft opmoet. De half-vocalen daarentegen, cut up en delayed, die al snel opdoemen in het nummer hadden voor mij niet gehoeven; ze doen denken aan wat ANDY STOTT tegenwoordig doet (wiens “We Stay Together” en “Passed Me By” EPs uiterst genietbare, opzwepende en vooruitstrevende Extreme Drone-Techno ten gehore gaven, maar wiens “Luxury Problems” LP teveel leunde op een gemakzuchtige exploitatie van de sirene-achtige aantrekking van de vrouwelijke stem); de vocalen, of wat daarvoor doorgaat, zijn hier, op Deco Loc, vreemd aan het nummer zelf. Op “EP7” experimenteerde Æ al eerder op meer geslaagde wijze met vocalen, maar zoals blijkt uit wat ze op Deco Loc doen kunnen ze vocalen voortaan beter laten—want de House-connectie, zoals blijkt uit Stott’s “Luxury Problems”, is al snel gemaakt.

De harde beats van Recks On herinneren wederom aan Second Bad Vilbel van “Anvil Vapre”—misschien wel hun beste plaat, ook al is het slechts een dubbele EP—een track die me altijd bij blijft vanwege een DJ set in de voormalige Techno-bunker in de Amsterdamse Silo (we praten 1995!). Het hauntologische, ruimtelijke geluidsspel met radio-frequenties (althans, zo klinkt het) dat volgt is uitermate fijn. Recks On is absoluut een van de betere nummers op de plaat. Afsluiter YJY UK is een rechtgeaarde Æ coda, dat alle kenmerkende elementen nog eens dramatisch samenbalt: harde beats, ragfijne synthpads, etherische melodielijnen. Het herbergt verwachting-scheppende beeldspraak in klanken. Het had op geen enkel ander album van Æ misstaan. Hier sluit het echter een onevenwichtige, twee uur durende plaat van late-Æ af. Het is moeilijk voor te stellen hoe met dit 11e album (EXAI=XI) Æ nog vernieuwend kan worden genoemd, ook al is het zo dat ze nog steeds als geen ander klinken. Een beetje trimmen hier en daar had gekund (dan zullen we maar zwijgen over opvolger Elseq 1–5!); anderzijds, in het overproductieve digitale tijdperk waar elke scheet een LP oplevert, is een ongepolijste juweel in een mooie, sturdy LP-box—en dat is “Exai”—nog steeds een hebbeding.

Je vindt deze bespreking van “Exai” veel te lang? Dan moet je vooral niet gaan luisteren. Het is 8 plaatkanten lang! Je hebt gewoon het geduld niet. En je bent bovendien geen fanatieke Autechre-fan. Hoeft ook niet!

Vijf jaar na hun laatste plaat, noise-meesterwerk “Certainty of Swarms” uit 2008, kondigen HAIR POLICE zich brutaal weer aan, alsof ze simpel willen zeggen: “You thought noise was dead? Think again!” Zo mogelijk nog venijniger dan die plaat is deze uit 2013, “Mercurial Rites”, bijtend als zoutzuur en genadeloos in impact. Formeel een punkrocktrio, d.w.z. bas, gitaar en drum-opstelling, er is echter weinig aan Hair Police dat herinnert aan de standaard tension-release formules van rock ‘n’ roll. Geen riffs te bekennen, en melodieus is het al helemaal niet.

Toch is “Mercurial Rites” niet geënt op de gebruikelijke tropen van noise, waarbij men zich ofwel, vaak nogal gemakzuchtig, richt op het eindeloze loop-en van een uniform geluidsfragment ofwel tracht micrologisch, door middel van elektroakoestische granulaire synthese, noise-staketsels te construeren die de impressie van improvisatie geven. KEVIN DRUMM is meester van de eerstgenoemde soort die helaas ook veel mindere goden heeft opgeleverd, JOHN WIESE/SISSY SPACEK en PETER KOLOVOS van laatstgenoemde. Kolovos—voormalig lid van het onvolprezen briljante vroege jaren nul improv rock-trio OPEN CITY uit Los Angeles (luister vooral naar “L.A. We Revise Your Neglect” (2001) en “Birth of Cruel” (2003)—bracht in 2013 overigens ook een uitstekend nieuw album uit: “Black Colors”.

Vergeleken met voornoemden blijft Hair Police trouw aan een soort punk-ethos, net als het verwante WOLF EYES, die dit jaar ook een nieuw album uitbrachten—”No Answer: Lower Floors”, nota bene op #8 in the Wire Rewind—dat, ofschoon niet onaardig, evenwel verbleekt bij hun sublieme jaren nul-werk. Dat kan gedeeltelijk te maken hebben met het feit dat Mike Connelly, main man van Hair Police, tot zijn vertrek in 2012 ook in Wolf Eyes zat; Connelly is in 2013 echter vervangen door gitarist James Baljo, wiens mijns inziens negative invloed op die nieuwe Wolf Eyes plaat duidelijk te horen is; maar daar denkt Peter Meeuwsen, die het album in zijn top-10 verkoos, waarschijnlijk anders over! Hoe dan ook, Hair Police’s superieure “Mercurial Rites” ademt tegelijkertijd de primitiviteit karakteristiek aan 90s punkrock en een avant-garde, meer impro inborst, lak hebbend aan alle trends of verwachtingspatronen. Hair Police wint het van de huidige Wolfe Eyes, wat mij betreft.

Centraal op “Mercurial Rites” zijn de snerpende vocalen van Connelly, die klinkt als een ingeblikte, door de Duivel bezeten metal-freak. Het doet meteen denken aan de zanger van de ongenaakbare doommetal-formaties KHANATE en, later, GNAW, Alan Dubin, of de vocalen op SUNN O)))‘s “Black One”, maar dan vuiger en muzikaal primitiever (Gnaw had dit jaar ook een nieuw album uit, het uiterst ‘zieke’ “Horrible Chamber”, hun tweede, een van mijn top-10-platen voor dit jaar—zie lijstjes onderaan). Alles draait bij Hair Police om de atmosfeer van de muziek, en die is bepaald niet fris. Door de afgeknepen vocalen—met name op opener We prepare en vierde track The Scent—wordt met die stem de totaalsound nog beklemmender dan de gitaren en drums al verwezenlijken met een tonaal miasma van dodelijke steken, vlijmscherpe uithalen en zware mokerslagen. Het geheel ademt een ziedend kokende, welhaast verstikkende dynamiek (als dat niet een contradictio in terminis is).

Waar Hair Police op “Mercurial Rites” zo goed in is is de paradox van de afgemetenheid, de gecontroleerdheid van de abandon die zo karakteristiek is voor 00’s noise. Het is de precisie van compositie die Hair Police hier beheerst, de methodische aanpak die we ook zien in het beste werk van de al genoemde Wolf Eyes, of bijvoorbeeld op zo’n ultieme freaknoiseplaat van NNCK als “Clomeim” of om het even welke SUNBURNED HAND OF THE MAN. De grafhorror-thematiek op “Mercurial Rites” lijkt misschien gratuit, theatraal, camp zelfs, maar juist door die gedoseerdheid (de plaat is ook precies lang genoeg om de aandacht vast te houden) werkt de verwrongen noise uiterst effectief. Na beluistering van al dit onverkwikkelijks wil je alleen maar meer. Hair Police’s laatste werkt verslavend als de beste punkrock. En da’s een prestatie die moet worden beloond. Velen zullen “Mercurial Rites” betitelen als ‘sick’, maar voor mij was het een van de beste platen van het jaar.

Andere topplaten waren mijns inziens CHRISTIAN FENNESZ & PATRICK PULSINGER met de uiterst weldadig klinkende live-improvisatie “In Four Parts  (Tribute to John Cage)”, MIKA VAINIO & JOACHIM NORDWALL met de voortreffelijke cd “Monstrance”, DJ KOZE’s “Amygdala” (en dat vonden ook Theo Ploeg en Jesse Burkunk), POLVOs “Siberia” (hun 2e sinds de comeback in 2009), MIKA VAINIOs “Kilo”, DANIEL AVERY’s “Drone Logic” (verkozen door Omar Muñoz Cremers), RYOJI IKEDAs “Supercodex”, YO LA TENGO’s “Fade”, PERE UBU’s “The Lady From Shanghai”, de 2e plaat in MATANA ROBERTS‘s Coin Coin Chapter serie (meer hierover in de aflevering over 2015), POLWECHSELs “Traces of Wood”, WIREs remake van een aantal song-sketches op het oude live “Document and Eyewitness” uit 1981 als “Change Becomes Us”, een uiterst fraai late-Wire album, en DEEPCHORDs “20 Electrostatic Soundfields”. En niet te vergeten: mijn oude favoriet, THE DEAD C, met “Armed Courage”, die nota bene op #32 in the Wire top-50 eindigde. Voor de rest een ietwat mager jaar, wat mij betreft, maar blijkens de andere lijstjes (zie hieronder) is er nog genoeg te ontdekken, ook al spreekt niet alles mij persoonlijk aan. Opvallend aan die lijstjes is wel dat Bob Rusche en Gert Verbeek beiden kozen voor zowel het duistere “Life Cycle of a Massive Star” van ROLY PORTER als PRURIENTs karakteristiek dreigende “Through the Window”. Ook THE HAXAN CLOAK, met “Excavation”, werd tweemaal gekozen: Bob Rusche en Jesse Burkunk vonden dit een geweldige plaat—en terecht, denk ik. Alle drie albums schitteren evenwel door volstrekte afwezigheid in de Wire Rewind. Ook Thom Yorke’s gelegenheidsoutfit ATOMS FOR PEACE, met het mooie album “AMOK”, scoorde goed bij Harry Prenger en Theo Ploeg, die het zowaar op #1 in zijn lijstje zette. Verder opvallend was dat NICK CAVEs “Push the Sky Away”—zijn 15e plaat, als we THE BIRTHDAY PARTY en side-project GRINDERMAN niet meerekenen—in vier lijstjes voorkomt: die van Harry Prenger, Planet Trash, the Quietus en Spex. Verder moet nog genoemd ANNA VON HAUSWOLFF, wier “Ceremony” door Peter Meeuwsen en Peter Bruyn tot een van de 10 beste van het jaar werd gekozen en FIRE! ORCHESTRA’s prettig verstorende, maar m.i. soms ook wat schreeuwerige kraut-free jazz op “Exit!”, dat goed scoorde bij Gert Verbeek en Peter Meeuwsen en in the Wire relatief hoog eindigde op #22 (de eerste tien minuten van het nummer op de B-kant doet me erg denken aan de totaal vergeten Zwitserse formatie BLAUER HIRSCH). Als laatste moet ik nog KANYE WEST noemen, wiens “Yeezus” maar liefst op nummer 11 belandde in the Wire top-50 en ook door Harry Prenger in zijn top-10 werd gekozen; ik heb de plaat destijds genegeerd vanwege een algehele aversie jegens Mr. West en zijn entourage, maar ik besef dat dat wellicht onterecht was/is. Ik zal trachten een inhaalslag te leveren.

Zoals je merkt heb ik ook nauwelijks aandacht besteed aan the Wire top-10: over JULIA HOLTER en LAUREL HALO had ik het vorige keer al en ze zijn wat mij betreft overschat—maar smaken verschillen natuurlijk. RASHAD BECKER is vooral bekend als mastering engineer, maar maakt nu zelf ook platen. Zijn debuut “Traditional Music of Notional Species vol. I” (domme titel, dat) is vrij opmerkelijk en uitzonderlijk in zijn soort, maar uiteindelijk ook niet meer dan een verzameling contraire geluidsexperimenten die niet onaangenaam zijn maar verder weinig muzikaals om het lijf hebben; al met al komen de sonische vignettes als geheel nogal arbitrair over. Sietse van Erve koos de plaat desniettemin op #9 in zijn eindlijstje, maar of plaats 3 in the Wire-top-10 is gerechtvaardigd mag betwijfeld worden. RICHARD DAWSON is redelijk bijzonder, maar ik ben te weinig bekend met zijn werk om daar iets zinnigs over te zeggen. Ik hoop in de aflevering over 2017, het jaar waarin hij het voortreffelijke “Peasant” uitbracht, nog op Dawson terug te komen. Met TIM HECKERs werk ben ik wel bekend, maar ik vind het overschat, want grotendeels afgekeken van FENNESZ en dan 10 keer romantischer, zonder de Europees-modernistische inslag van Fennesz—waar die laatste inventief met geluid omgaat en daadwerkelijk vernieuwing in de electronica teweegbracht, produceert Hecker eigenlijk alleen maar banaal bombastisch behang; niet onaardig om naar te luisteren, maar zeker niet belangwekkend. GRAHAM LAMBKIN & JASON LESCALLEET: Lambkin is natuurlijk bekend van THE SHADOW RING, een opmerkelijk primitief Engels gezelschap uit de jaren negentig dat me zeker bekoorde, maar ik ben over het algemeen niet bijster gecharmeerd van zijn solo-huisvlijt (maar ik beken: ik heb het niet uitgepluisd). En over Lescalleet kwam ik vorige keer al te spreken (volgende keer, in de aflevering over 2014, komt ie weer langs, vanwege de dubbelaar die hij met Kevin Drumm produceerde). Van ONEOHTRIX POINT NEVER ben ik normaliter een fan, maar zijn “R Plus Seven” vond ik niet heel bijzonder—ik weet niet waar het aan ligt, en wellicht kan Bob Rusche, die de plaat in zijn top-10 koos, me van het tegendeel overtuigen. RP BOO: footwork. Pass.

THE TERROR

Tekst: Arnth van Tuinen

“The Terror” is het astrale buitenbeentje in het doorgaans zonnige oeuvre van de FLAMING LIPS. Een auraal bad van synthdrone kan het een uur lang zonder de voor de band gebruikelijke momenten van rammelende Lebensbejahung uithouden. Eventuele autobiografische impulsen van de twee kernleden Wayne Coyne en Steven Drodz—hoe interessant kan de midlife-crisis van voormalig drugsverslaafden zijn?—kunnen hier buiten beschouwing blijven. De muzikale atmosfeer is onpersoonlijk, een wonderlijke mix van electronische dronerock en psychedelische musical (als die al zou bestaan). De negen soms lang uitgesponnen nummers zijn in een pulserend midtempo gehouden en vormen welhaast één ononderbroken stroom (suite?) met fraaie overgangen. Zoals de synths op “The Terror” de indierock set-up hebben vervangen, zo zijn de fraaie zanglijnen opeens abstract geworden, mantra’s met slechts een suggestie van melodie. De stem wordt net als de instrumenten volledig ondergedompeld in het synthbad. Hij klinkt eigenlijk niet meer individueel; digitaal ingebed in een soort koor/echo, of gewoon bewerkt, is hij nauwelijks meer te herkennen als die ‘zwakke, maar jubelende falset’ van Wayne Coyne.

Met ProTools en plugins hebben de Flaming Lips de organische rocksong achter zich gelaten. Het zijn de zich herhalende analoge synthgeluiden die nu het uitgangspunt van de nummers vormen. De pulserende drone laat zich goed vermengen met de vocalen en de geluidsruimte kan dan verder worden ingevuld met weer andere synthakkoorden of een plotselinge bandjam. Drums of beats zijn niet altijd nodig. Het gaat in deze muziek om de klankkleur van de synths, om synths als synths. Dat die op “The Terror” vaak allesbehalve lieflijk of buitenaards klinken, maar eerder ruw en machineachtig, is ongetwijfeld te danken aan de invloed van al die alternatieve bandjes die al sinds de jaren nul met analoge elektronische geluiden aan de slag zijn. De progressie in de muzikale produktiemiddelen heeft hier de mainstream bereikt. De productie wordt ondanks het digitale stapelen gelukkig nergens barok, het evenwicht tussen expressie en geluid blijft op een knappe manier behouden. Zo ontstaat als bij toeval zeer pakkende digitale popmuziek, een modern psychedelisch album vanuit de mainstream, qua directe impact alleen vergelijkbaar met TAME IMPALA’s “Currents” van twee jaar later.

THIS TIME LAST YEAR

Tekst: Fons Moers

Na zo’n 15 jaar relatieve stilte verscheen in 2013 “This Time Last Year”, een nieuw album voor ULTRAMARINE. En dit album daar is iets mee. Vaag en persoonlijk natuurlijk, maar dat is precies wat mij trekt aan Ultramarine in het algemeen. Al eerder maakte zij mij als luisteraar het niet eenvoudig. Ultramarine klinkt prettig, maar makkelijk is het ook weer niet. Ultramarine is vooral niet hip en uitschieters steken er bij de eerste luisterbeurten sowieso niet bovenuit. En toch is steeds daar die drang om te blijven luisteren. Dit móét ik gewoon goed gaan vinden.

Dat gebeurde mij voor eerst bij hun doorbraakplaat, “Every Man And Woman Is A Star” (1991), een fijne combinatie van folk en elektronica in een hoes à la een gospelplaat. Heel kort het geluid van het moment. Daar ging men bij de volgende plaat juist aan voorbij: “United Kingdoms” (1993) bleek een acidfolk-plaat met opvallende bijdragen van ROBERT WYATT die middeleeuwse liederen zong. Onhip en raar, maar totaal eigen in zijn soort. Een beetje freakfolk avant la lettre.

Het jazzachtige vervolg “Bel Air” (1995) leunde qua experiment aan bij acts als MOUSE ON MARS, maar bleef vooral onbegrepen. Zo leek de carrière van Ultramarine afgesloten te gaan worden met het fraaie “A User’s Guide” (1998): Detroit house op Ultramarine’s wijze. Jaren van stilte volgden op een paar heruitgaven en wat restmateriaal na. Tot eind 2011. Toen verschenen er plots twee singles die voorlopers bleken van “This Time Last Year”, de comebackplaat. Dit keer bestond Ultramarine (wederom) uit een dosis folk, jazz, broken beat, ambient, house, impro en wat afrobeat. Ultramarine anno 2013 klonk aardig tijdloos en wat vooral opviel was de balans binnen dit album: alle ingrediënten zijn zo gedoseerd dat niet eenduidig te zeggen valt in welke platenbak dit album exact hoort. Voor de liefhebbers is This Time Last Year vooral lekker vertrouwd, ook omdat de Ultramarine-handtekening (die bleeps) onveranderd gebleven is. Wat ook onveranderd bleef, was mijn ik-moet-hier-iets-meegevoel. Dat komt wederom door het ontbreken van uitschieters, dat onhippe. Deze plaat dwong mij om tussen de nummers te blijven zoeken om telkens nieuwe dingen te willen ontdekken. Daarom draai ik deze plaat na 5 jaar dus nog steeds met de nodige regelmaat. Om telkens weer te moeten concluderen dat ik dé lijn nog altijd niet te pakken heb. Een album dat mij blijft uitdagen is altijd de moeite waard om te blijven draaien. Dat gaat ook niet anders. Verder heb ik ook een beetje medelijden met dit album, al is het maar omdat ie dus nooit de aandacht zal krijgen die het volgens mij toekomt. Het zij zo.

Ultramarine zit intussen niet stil. In de loop van 2018 zal er een nieuw album verschijnen op het label waar het voor de band echt begon: Les Disques du Crépuscule.

Advertenties

3 gedachtes over “The Wire Rewind 2010-2017: de beste (niet-klassieke) muziek van het decennium tot nu toe—Deel 4: 2013”

Reacties zijn gesloten.