Animal Collective—Tangerine Reef

ANIMAL COLLECTIVE — Tangerine Reef (DOMINO 2xLP)

Animal Collective volg ik als een fan sinds ik een hoofdrecensie in The Wire (van de hand van David Stubbs; Soundcheck, The Wire 236, October 2003) las van de reguliere reissue op een dubbel-cd van hun obscure limited edition eerste twee platen Spirit They’re Gone, Spirit They’ve Vanished and Danse Manatee (uit resp. 2000 en 2001). Die reissue was uit 2003. Gaandeweg viel hen meer populariteit ten deel—zeker na het akoestische folk-album Sung Tongs—wat uitmondde in wat velen als hun meesterwerk zien (of in ieder geval hun beste): Merriweather Post Pavilion uit 2009. Die laatste plaat is zeker heel goed (zie mijn recensie van toen, op Cut-Up), maar ik zou ‘m persoonlijk niet als hun beste betitelen (ofschoon de categorie “beste” bij Animal Collective eigenlijk niet opgaat). Merriweather is wellicht hun meest poppy en toegankelijke—de Beach Boys-referenties, die er altijd al in zaten, zijn niet van de lucht, maar het minstens zo kenmerkende en essentiële regressieve, primal scream-therapeutische aspect van Animal Collective blijft op die plaat veelal achterwege, of het is prettified (zeker ten opzichte van voorganger Strawberry Jam, een favoriet).

Beide aspecten—Beach Boys-harmonieën en schreeuwpartijen—vind je ook niet op hun nieuwste, Tangerine Reef, en toch verschillen die twee platen als dag en nacht. Panda Bear is (gelukkig) eens een keer niet van de partij, en daarmee schittert het al te poppy geluid ook door afwezigheid.

Tangerine Reef grijpt terug op de vroegere sound van Spirit They’re Gone, Here Comes the Indian en de live-plaat Hollindagain. Het lichtelijk infantiele, of anders uitgedrukt: speelse, karakter van die platen gekoppeld aan een sterke aandrang tot experimenteren is weer volop aanwezig. Tangerine Reef is ook meer distopisch dan utopisch, dat niet alleen door de afwezigheid van de Beach Boys referenties wordt gesuggereerd, maar ook duidelijk in het maritiem/ecologische thema van de plaat (het is de soundtrack voor een film over koraalriffen) tot uitdrukking komt. Maar de artisticiteit van Animal Collective blijkt dan weer in het feit dat de muziek niet opzichtelijk een call to arms is geworden om de grootschalige milieuvervuiling, in het bijzonder die van de oceanen, onze levensbronnen bij uitstek, te lijf te gaan; de bij hen karakteristieke Rousseauïaanse naïviteit voorkomt dat de plaat een agitprop-plaat is geworden. De flow van de muziek en de mix van de vocalen, die vaak op de achtergrond blijven, zorgt ervoor dat er een zekere melancholieke nederigheid uit spreekt, ook en juist ten aanzien van de veerkracht van de natuur, waartegen de mens en zijn zowel corrigerende als destruerende capaciteit nietig afsteekt: je zou bijna denken dat Portner, Dibb en Weitz Timothy Mortons Dark Ecology of René Ten Bos’ Dwalen in het Antropoceen hebben gelezen. Tangerine Reef is in dat opzicht een klassiek romantisch werk te noemen dat de sublimiteit van de natuur als een destructieve grootheid die ons ten enenmale te boven gaat, centraal stelt. Je hoort de oceanen. De mens is aanwezig (in de vocalen), maar de instrumentatie staat volledig in dienst van het thema natuur.

Ofschoon Animal Collective al zo’n tien jaar geen topprioriteit meer geniet onder pop-cognoscenti (dat heeft meer te maken met hoe de industrie werkt dan met de kwaliteit van de muziek), moest deze plaat in mijn albumlijst voor 2018. Een hoogtepunt in hun œuvre, al zullen vele anderen het ontkennen.