Klara Lewis & Simon Fisher Turner—Care

KLARA LEWIS & SIMON FISHER TURNER—Care (Editions Mego, LP)

Dramatische ambient, is dat niet een oxymoron? Maar zo komt de muziek op het eerste gehoor, zeker op de eerste track, op de samenwerkingsplaat van Klara Lewis (dochter van, die ook twee soloplaten op haar naam heeft staan) en de veelzijdige veteraan en film soundtrack componist als wel kortstondig vroeger The The-lid Simon Fisher Turner, wel over. Met het werk van Turner ben ik slecht bekend, maar wellicht is dat een pre, want dan kun je deze tegelijkertijd abstracte en emotionele muziek op haar eigen merites beoordelen, zonder meteen obligate vergelijkingen met eenieders eigen œuvre te trekken. Desniettemin zijn er wel degelijk parallellen met het sound design op Turners vorige plaat voor Mego van begin 2017: Giraffe. Die LP was zeker niet onaardig maar Care is wat mij betreft overtuigender, want meer cohesie tussen en binnen de nummers en een grotere innerlijke compositorische doelmatigheid—en dit komt natuurlijk mede door de precieze inbreng van Lewis, die in haar eigen werk met abstractere sounds werkt, getuige haar twee heerlijke platen vol duistere electronica-vignettes (ook voor Mego) Ett en Too uit respectievelijk 2014 en 2016. En dat er grote overeenkomsten liggen tussen hun beider werkwijzen blijkt: Care is een ware meeting of minds, the best of both worlds dat heeft geresulteerd in een organisch amalgaam aan ambient, digital synthesis en field recordings. 

‘8’, het eerste nummer van deze uiterst fascinerende en begeisternde plaat is meteen mijn favoriet. Het dramatische effect wordt gesorteerd door een soort stop-start processing gedurende de 14 minuten dat deze track duurt. Het begint vredig met weldadige synthgolven, maar de digitale schok bij de 37e seconde laat je meteen weten dat we hier niet van doen hebben met ambient simpliciter. Vocale cut-ups verschaffen extra dramatiek, om vervolgens geheel stil te vallen. En dan weer opnieuw die digitale cum-vocal detritus. Het goede eraan is is dat het in het geheel niet arbitrair is, hoe groot de schok (zeker over de koptelefoon) ook overkomt. De field recording elementen (vogels aan zee?), en even later een lichte dans-kadans, die tegen een verstilde achtergrond verschijnen, geven extra cachet aan het spel met hard en zacht—alsof Albini achter de knoppen zat (not). Even verderop lijken we de Mego-sound van de late jaren opgesoupeerd te krijgen, die dan vervolgens doodleuk weer met de digitale distortion, afgewisseld met zacht klinkende hemelse vocalen op een ambient bed, wordt onderbroken, en ad finitum cantici. De verstilde coda met praatstemmen is van een huiveringwekkende schoonheid—maar de digitale schok, het refrein zeg maar, is niet geïnteresseerd in de coda als verzoening, want tot op het laatste moment blijft het verstoren. Dit alles geeft een fantastische dynamiek aan het geheel, en het is zo’n beetje het mooiste experimentele muziekstuk dat ik dit jaar gehoord heb. ….Ware het niet dat dit slechts het eerste nummer van Care is.

Het tweede nummer ‘Drone’ lijkt in eerste instantie op een redelijk simpele romantisch angehauchte, dromerige ambient track, maar de zachte staccato bas en de licht knisperende elektrische ‘geluidsdeeltjes’ verschaffen het geheel het juiste modicum aan spanning. Ook hier geldt: over de koptelefoon of een goede stereo beluisteren om de extreme dynamiek van zacht en subtiel naar hard en indringend te kunnen ervaren. De introductie van een bewerkt folk-spel lijkt een Fremdkörper maar is dusdanig ingepast dat het als een volstrekt natuurlijk onderdeel van het compositorisch geheel klinkt. Ook hier is de coda—in de laatste minuut—bedoeld als een verstoring. Effectief en prachtig met een digitaal verhaspelde stem wegebbend.

‘Tank’ tapt uit hetzelfde vaatje, maar toch met een belangrijke accentverschuiving. Er treden meer field recording elementen op de voorgrond: kinderstemmen, arabische vocalen, arabische strijkinstrumenten, gekoppeld aan een volmaakt analoog/digitaal geïntegreerd sound design—heerlijk die high frequency speldenprikken. Quasi-radiogolven en een permanente distortion bepalen de achtergrond. ‘Tank’ werkt uiterst vernuftig en subtiel, ondanks de ogenschijnlijk arbitrair ingezette field recordings van stemmen. Bij 6:40 worden we opeens met een fijne synthmelodie geconfronteerd, die vervolgens overgaat in een field recording van mannelijke samenzang (ik kan ’t niet thuisbrengen, maar het is duidelijk niet-Westers), om dan weer onder een sonore drone (bij 7:55) digitaal te worden verknipt. De daaropvolgende verstilling wordt ruw verstoord door extreme digitale interferentie, die we herkennen van het vroegere Mego-gemanipuleer met pre-historische modems en de clicks ‘n’ cuts brigade. Het komt hier allemaal volstrekt logisch over, en dit getuigt van de componeerkunsten van Lewis en Turner. Minpuntje evenwel: de laatste anderhalve minuut met een barok synth-spel komt op mij over als een overbodige appendix. 

Dan het—in een bepaald opzicht—pièce de résistance van de plaat, ‘Mend’: hier geen verstorende digitale elementen, maar een tien minuten durend evocatief, haunting geluidslandschap, waar wederom heel smaakvol field recordings van stemmen ragfijn doorheen gelardeerd zijn. Het doet denken aan de aan o.a. amnesie en melancholie gewijde schellak-syntheses van The Caretaker en Leyland Kirby, en is in mijn oren daardoor ook niet zo origineel. Het is als zodanig daarmee ook enigszins een corpus alienum ten opzichte van de drie voorgaande tracks: het drijvende motief van het stuk, het meest sublieme van de vier, getuigt duidelijk meer van Romantiek dan van Moderniteit. Niets mis daarmee, natuurlijk, en wellicht hebben die twee stromingen in kunst en denken meer met elkaar te maken dan vaak wordt gedacht. Als geheel is Care in ieder geval een ondubbelzinnig succes. Top-10 plaat van 2018, wat mij betreft.