Onbeminde meesterwerken (I): Cell—Slo•Blo

In een reeks recensies wil ik platen bespreken die niet behoren tot die platen die algemeen beschouwd worden als een artistiek succes. Dat kunnen platen van bekende bands zijn die als hun minste gelden dan wel platen van relatief onbekend gebleven bands. Het gaat in alle gevallen om platen die mijns inziens onterecht afgekraakt zijn of onder de radar bleven. Platen die de revue zullen passeren zijn In A Foreign Town van Peter Hammill, Sonic Youth’s NYC Ghosts & Flowers, die beruchterwijze een 0.0 van Pitchfork kreeg (de nitwits), Neil Young’s Trans, Animal Collective’s Centipede Hz en nog een aantal. Maar eerst Slo•Blo van Cell.



CELLSlo•Blo (City Slang 1992; Ecstatic Peace!/Geffen 1993)

CELLLiving Room (Geffen 1994)


De drummer van Cell—de band die Thurston Moore als dankzij het bereikte mega-succes van Nirvana’s Nevermind nieuw aangestelde talentscout bij Geffen aansmeerde—was een voormalige guitar tech voor Sonic Youth, en dat zegt iets over wat je hoopt maar ook vreest te verwachten: een sound die lijkt op die van de moederband. Maar het resultaat was ambiguër dan waarop zowel luisteraar als platenmaatschappij hadden gerekend.

Het debuut van Cell, met de ietwat vreemde naam Slo•blo (is er een impliciete referentie naar een slobo, wat urban slang is voor een trage hobo, een dagloner?), is een plaat die ondanks het feit dat ze op Geffen verscheen toentertijd geen succes boekte en ook sindsdien niet, door een rücksichtslos historiserende popjournalistiek, als een vergeten meesterwerk wordt beschouwd. Dat ligt gedeeltelijk aan de op het eerste gehoor half-geslaagde poging om tegelijkertijd een noisy gitaarrock-sound neer te zetten die zich door een typische Newyorkse droge stijl kenmerkt (gitaar galore, wazig, ongeraffineerd geluid—elementen van bijvoorbeeld oer New-Yorkers Live Skull zijn hoorbaar op zo’n track als Tundra), en ogenschijnlijk tegemoet te willen komen aan de verwachtingen van the men in suits bij Geffen, namelijk een grunge-plaat te maken die het succes van Geffens investering in Nirvana zou consolideren (de schorre vocalen, de somtijds schmierende zang, en soaring gitaarspel met een sterke psychrock-neiging lijken daar op te wijzen). De plaat lijkt op meerdere paarden te wedden, en dat kan als halve verklaring voor het uitblijven van succes worden gezien, want de paradox is: hoe meer smaken je aanspreekt des te impopulairder je wordt.

SPIN wijdde zes jaar geleden een special aan 40 platen die in het kielzog van het succes van Nevermind op major labels uit werden gebracht, maar daar eigenhandig nooit op zouden zijn verschenen. Cell’s debuut wordt als eerste genoemd!

“Their debut Slo*Blo is guitar-thick and the vocals are buried — achieving the spirit of what the majors were looking for, with none of the impact.”

De impact van Cell’s eersteling was commercieel gezien inderdaad vrijwel nihil. Maar de plaat is mijns inziens onterecht direct in de ramsjbakken beland (je kunt ‘m overigens nog steeds voor een habbekrats krijgen). De schijn van een stilistische potpourri is inderdaad dat: schijn. De muzikale impact is flink. Ik wil niet beweren dat Slo•Blo beter is dan menig gevierde grunge-plaat of zelfs maar tot de top van de guitarrock-albums van dat jaar behoort (1992 in Duitsland uitgebracht en in 1993 op Geffen). Ik ben niet zo’n grote fan van het genre (Nevermind en zeker Ten vind ik zeer goed te verteren), dus het is moeilijk om objectief daar iets over te zeggen. Maar er zijn wel overeenkomsten met de grungerock die op dat moment was doorgebroken, die het begrijpelijk maken dat Cell werd getekend door Geffen.

De muziek op Slo•Blo is duister, intens, furieus. De link met grungerock (Nirvana, Alice in Chains en ook het traditionelere Pearl Jam) is daarom niet geheel misplaatst. Slo•Blo heeft ook de felheid van vroege Afghan Whigs (een andere vreemde eend in de grungebijt), zonder in de verste verte op de muziek an sich te lijken. De voor grunge belangrijke focus op harmonie en modulering is ook duidelijk aanwezig in Cell’s muziek. Men zou het album kunnen aan bevelen als een dissonantere, ongepolijstere versie van de geliefde platen van die bands. Luister naar de eerste track van de plaat waarop de gitaarcrescendo’s genoeg zeggen.

CELL — FALL

De muzikanten van Cell wisten hoe je een pakkend refrein moest schrijven en het van een lyrisch-expressieve sound moest voorzien. Maar: al die voornoemde bands zijn met name, veel meer dan Cell, rock (de Cell van het debuut althans; daarover straks meer). Cell is toch te Newyorks, te zeer verwoven met punkrock, en te noisy om als rock tout court te gelden (dat vond Kurt Cobain natuurlijk ook van Nirvana ten opzichte van die andere grote grunge bands, en met een zeker recht).

Waar de muziek van Cell in sommige opzichten wél erg op lijkt—vooral op zo’n track als Bad Day—is die van het eveneens Nuyoricaanse Das Damen, en dat is ook niet zo heel vreemd, omdat bassist David Motamed eerder speelde bij Das Damen (op hun latere platen). Das Damen mengde noisy punkrock met psychedelische elementen, en die psychrock-aspecten doordesemen, al zij het veel minder dan bij die band, ook Cell’s Slo•Blo en nog duidelijker opvolger Living Room—tevens hun laatste plaat. Hier is Bad Day (luister vooral naar die intensivering van de gitaren op pakweg 1:35), en daaronder de track die het album afsluit, Hills (met een uiterst fijne coda)

CELL — HILLS

Living Room is mijns inziens een niet erg geslaagde opvolger die middels een door John Agnello (ja, die ja!) opgepoetst rockgeluid laat horen hoe Cell alsnog probeerde zich aan de grunge-middelmaat aan te passen. Bijna alles wat zo goed is aan Slo•Blo—intensiteit, mysterie, dynamiek, verfijnd gitaarspel—is op Living Room overboord gegooid of slechts mondjesmaat waar te nemen of anderszins overdreven, en een paar elementen zijn toegevoegd die het al met al—de titeltrack uitgezonderd (zie audio-link onder deze paragraaf)—tot een niet meer dan middelmatige plaat maken: schorre vocalen extra aangedikt en meer vóór in de mix, meer hard rocking riffs. Ik kan Geffen geen ongelijk geven dat ze Cell er na deze plaat uit kieperden, hoewel de bazen natuurlijk gehoopt hadden dat deze laatste, met een geprononceerdere grunge-rocksound, wel het success zou brengen dat Cell met Slo•Blo niet gegund was.

Cell is—op Slo•Blo althans—een meer uitgekiende versie van Das Damen, beter gearrangeerd, songs met kop en staart, en een interne ontwikkeling met een grotere dynamiek—dat waarschijnlijk dan ook in eerste instantie die suggestie van ‘grunge’ wekte. Neem de 2e track op de plaat, Wild, met zijn open gitaarlijnen, een langzaam begin, schorre vocalen, dan een ritmische versnelling en over elkaar buitelende gitaarsoli in de brugpassage:

Maar waar ik nog meer aan moet denken—als we even abstraheren van de vocalen—is het contemporaine Seam (dat voortkwam uit Bitch Magnet). Seam was een ietwat vriendelijker, maar tegelijk duisterder variant op de post-hardcore van Bitch Magnet. Ook Seam—een geweldige band, live—voegde een psych element toe aan de veeleer bitse sound van Bitch Magnet, en ging meer in de richting van melodieuze gitaarindie/rock—op latere platen kwam dat nog duidelijker naar voren. De corrosieve, stroperige noise gemengd met popelementen die het Seam-debuut sierde (Headsparks, hun beste), hoor je ook op Slo•Blo.

Check bijvoorbeeld die 3e track Cross The River, die er eentje van Helmet had kunnen zijn (veeleer dan van Seam overigens), met een niet aflatende staccato ritmiek, ware het niet dat de hoge basloopjes toch meer poppy zijn dan op een gemiddelde Helmet track. Het is meteen met volle vaart uit de startblokken, de minst dynamische track op de plaat.

Net als op de platen van Seam hoor je een hypnotiserende, dichtgetimmerde soundmuur. Luister bijvoorbeeld naar de track Two:

Het geheel is tegelijkertijd krachtig, intens én uiterst melodieus, met mooie gitaarsoli die volstrekt organisch uit hun context verschijnen. Wat Cell op Slo•Blo kenmerkt is de meerlagigheid, meanderende, vloeiende gitaarlijnen, en extreem goed arrangement. Dat hoor je op zo’n van meetaf aan dramatische track als Stratosphere: een enkele gitaarlijn wordt afgezet tegen een amelodieus feedback-spel, waarna de tom-toms een duellerend gitaarspel introduceren dat als contrapuntisch vlechtwerk doorheen de track wordt gedrapeerd. Hieruit blijkt dat Cell als geen ander dissonantie, soundscape en melodie pakkend wisten te arrangeren. Cell songs kenmerken zich door een dynamisch opgebouwde lange lijn met mooi uitgezette accenten. De dissonantie is overigens nooit zo uitdrukkelijk aanwezig als bij het moederschip Sonic Youth. De titel van de track—Stratosphere dus—is zeer toepasselijk.

CELL — STRATOSPHERE

Slo•blo is zo’n typische groeiplaat: bij eerste beluistering lijkt het zich niet te onderscheiden, een grote papperige klankenbrij, maar naarmate je de plaat vaker hoort nestelen de verfijnde structuren en melodieën zich voorgoed, als earworms, in je onderbewuste.

Dat Cell niet werd geproduceerd door de toen veel gezochte producer Butch Vig—die eerder Gish van Smashing Pumpkins, Nevermind en Sonic Youth’s Dirty had geproduceerd, en later drumde voor het vreselijke Garbage, maar dat terzijde—mag bij nader inzien een zegen worden genoemd. De rauwe randjes zijn door producer John Siket mooi intact gelaten—Siket produceerde later Sonic Youth’s Washing Machine en was overigens al mixing assistant op Dirty, maar hij was in kleine kring vooral bekend als engineer van de vroegste, rauwe Yo La Tengo-platen.

Butch Vig had ondanks de voor Sonic Youth redelijk nieuwe ‘alternative rocking’ sound gelukkig de rafelrandjes van Dirty (en vooral de hardcore nummertjes op Experimental Jet Set, ook een productie van zijn hand) nog relatief onaangetast gelaten, maar als hij de productierol had ingenomen voor Cell zou hij ongetwijfeld zijn wil hebben opgelegd aan een band die natuurlijk niet de vermetelheid zou hebben hem tegen te spreken (iets wat ook Nirvana parten speelde, ofschoon Cobain later lovend was over de productie van Nevermind). Wellicht zou Cell met een slickere Butch Vig sound dan wél zijn doorgebroken. Maar het is goed zoals het is gegaan: geen succes, maar wel een mooie, ongepolijste plaat. (Dat ze voor hun tweede uiteindelijk toch door de knieën zijn gegaan met Agnello, destijds en ook nu de huisproducer van Jay Mascis, laten we dan maar even buiten beschouwing).

Het moet daarbij gezegd dat Butch Vig een respectabele rij producties, in de jaren ’80, van hardcore bands als Killdozer, Die Kreuzen en de Laughing Hyenas op zijn naam had staan—de reden waarom Sonic Youth hem kozen voor Dirty was zijn productie voor Die Kreuzen, niet omdat hij Nevermind had geproduceerd. Dus wie weet wat een Butch Vig productie van Cells debuut bewerkstelligd had.

Het is om muzieksociologische en –historische redenen verklaarbaar waarom Slo•Blo geen hit is geworden. De bandleden zelf hadden, getuige een interview in 1993, toen ze net hun contract met Geffen hadden getekend, hun hoop gevestigd op een carrière in de muziek. Daar is weinig van terechtgekomen. Maar daarmee is het niet minder onbegrijpelijk waarom het ook met de retromania van het afgelopen decennium niet alsnog een kans is geschonken. Zoals een fan het ergens zegt: “This is one cheap bin CD not to be skipped over.”


Track list:

  1. Fall 3:35
  2. Wild 3:46
  3. Cross The River 2:56
  4. Dig Deep 3:27
  5. Stratosphere 5:36
  6. Two 2:59
  7. Everything Turns 4:10
  8. Tundra 4:10
  9. Bad Day 2:24
  10. Hills 4:09

Volgende in de reeks: SONIC YOUTH—NYC Ghosts & Flowers (Geffen 2000).