Hypnagogic Pop

Onderstaande tekst was eerder, in een ietwat andere versie, gepost in het kader van The Wire Rewind series.

De aan het begin van dit decennium meest in het oog vallende, en volgens sommigen meest gehypte, muziekvorm is ongetwijfeld wat in 2009 door David Keenan in een artikel voor The Wire (aug. 2009) ‘hypnagogic pop’ is genoemd. Nou is het niet mijn bedoeling om hier uitgebreid in te gaan op de achtergrond en betekenis van deze hoofdzakelijke Amerikaanse ‘stroming’ in de undergroundpop van rond de decenniumwisseling. Ook wil ik niet uitputtend zijn. Na de opkomst van de eerste golf is de stroming, onder verschillende etiketten, flink uitgewaaierd, niet altijd even interessant. De muziek die onder de noemer ‘hypnagogic pop’ valt is qua geluid ook zeker niet eenduidig qua karakter. Het is meer een bepaalde benadering die hypnagogic albums kenmerkt—een nostalgie naar de softrock, new age en mainstream pop uit de jaren ’70 en ’80, gezien door de wazige blik van de ‘millenial’-generatie, die die jaren vanzelfsprekend nooit zelf letterlijk hebben meegemaakt.

“Hypnagogic pop is pop music refracted through the memory of a memory”, zoals Keenan het beschrijft: pseudoherinnering van een niet daadwerkelijk beleefde cultuur. De viering van de tackiness en verjaarde technologie van die tijd gelden als tropen voor de manier waarop een zekere projectie van een geveinsde beleving direct wordt ‘vertont’: lofi-er dan de lofi uit de begin jaren ’90, en niet zelden met behoorlijk wat tape hiss en valse toonzetting om het hypnotiserende, niet-documentair-reële aspect van de quasi-herinneringsbeleving te accentueren. Het is pure pop-reverie als pop. Je zou hypnagogic pop kunnen zien als een impliciete muzikale cultuurkritiek op de lineaire tijdsbeleving, op de ‘objectieve’ lineaire cultuur überhaupt.

Volgens Keenan zijn de “haunted memory” en “half-dream states” als portalen tot kennis de essentie van de krakkemikkige lo-fi van initiators James Ferraro/the Skaters. In een kritisch essay in de Rewind 2010-editie laat Keenan echter weten niet onder de indruk te zijn van de meeste chillwavers, die in het kielzog van Ariel Pink en the Skaters van zich laten horen, maar het kritische gehalte van hypnagogic juist weer om zeep helpen door het te vercommercialiseren, als genre af te perken en te verpakken—de benaming ‘chillwave’ als synoniem voor hypnagogic vindt Keenan dan ook niet geëigend. Bekende chillwave bands zijn o.a. Washed Out, Memory Tapes, Neon Indian, en zijdelings Peaking Lights maar ook het debuut Causers of This uit 2010 van Toro y Moi moet daartoe worden gerekend, dat ik persoonlijk een prettig verslavend popplaatje vind—en misschien is dat ook net het probleem van chillwave: de jouissance ligt er te dik bovenop, en het kritische muzikale potentieel dat Keenan in de hypnagogic pop zag lijkt bij de chillwavers uitermate beperkt, voor andere doeleinden (een pophit?) geïnstrumentaliseerd.

Zoals gezegd, ook de vroege Ariel Pink (van vóór Before Today) behoorde tot de hypnagogic pop, maar sinds die ‘doorbraak’-plaat lijkt hij vergeten of verdrongen—zijn heerlijke laatste plaat Dedicated to Bobby Jameson is nauwelijks besproken. Ik schreef meer over Before Today in een recensie toen de plaat uitkwam.

Hét label voor hypnagogic pop was het hippe Olde English Spelling Bee, dat eerder in de jaren nul fantastische noise-albums van o.a. Mouthus, Cousins of Reggae, Robedoor en persoonlijke favoriet Starving Weirdos uitbracht. Cruciale hypnagogic-releases op OESB zijn platen van James Ferraro (Last American Hero), Ducktails (LandscapesAutre ne Veut (s/t), met zijn over-the-top Prince-affectaties, en ook het prachtige Dagger Swords EP van het Britse Forest Swords, dat strikt genomen niet onder hypnagogic pop wordt gerekend.

De beste hypnagogic-plaat van het decennium is evenwel Suburban Tours van Rangers, ook op OESB.  Joe Knight, de man achter de ‘formatie’ omschrijft zijn muziek zelf als “dumb, null and vacant”—dat is een adequatere en aantrekkelijkere omschrijving dan het lijkt. Het album, waarvan de track-titels naar stadswijken wijzen, is een soortement post hoc ode aan de Rush hit ‘Subdivisions’ (overigens geniaal nummer op meesterwerk progmetal-album Signals uit 1982, waarmee Rush definitief de synthpop-jas aantrok, maar dat terzijde)—de muziek zelf heeft natuurlijk niets uitstaande met Rush en is ook geheel instrumentaal. Wat je op Suburban Tours hoort is troebele, vertraagde primitief-gitaristische synthfunk: psychedelische muziek voor souls lost in suburbia. De plaat is hoorbaar gemaakt met zeer beperkte middelen—één oude Yamaha keyboard, heavily processed gitaar en een drumpad. De sound is intentioneel volstrekt vervormd, vertraagd en gecomprimeerd en op een eenvoudige aftandse 8-track opgenomen. Knight zegt er wel bij dat het album niet het resultaat is van een methode, maar gewoon door gebrek aan high end technologie zo eruit rolde. Geen concept dus voor Rangers. In de Wire recensie van Suburban Tours werd toepasselijk gesproken van “plaintive melodicism”. De verwijzing naar jaren ’80 Meat Puppets (hun II) lijkt me ook helemaal terecht, maar dan zonder de country-referenties—de overeenkomst zit ‘m in de onbevangen attitude, de schromeloosheid van de lo-fi sound. Het nummer ‘Out Past Curfew’ (laatste nummer van de A-kant) is in mijn optiek de meest sublieme poptrack van het decennium: een tegelijkertijd hyper en verveeld-melancholieke, zinsbegoochelende suburban roadmovie soundtrack.

En dan is er het geniale Hype Williams, het zijdelings met het Amerikaanse hypnagogic pop geassocieerde Londense duo van Dean Blunt en Inga Copeland (die overigens van oorsprong Estse is). Ook hier pop-reverie als pop, maar dan via hiphop en recht-voor-z’n-raap plunderphonics uit de popcultuur, van Drake tot Sade. Hype Williams is dan ook veel experimenteler en conceptueler dan de Amerikaanse varianten (uitgezonderd James Ferraro zelf). Ondanks het feit dat het lukraak bij elkaar geraapt is, klinkt het toch organisch. Hype Williams is weliswaar pure conceptuele kunst, maar het gekke is dat het ook ontzettend genietbaar is en welhaast verslavend werkt. Ik vind het latere solo-werk van Dean Blunt stukken minder interessant, en let wel: de huidige incarnatie van Hype Williams is niet het duo Blunt/Copeland dat de 3 eerste platen maakte.

Opmerkelijk is dat Dean Blunt zelf heeft aangegeven zich niet tot de sun-bleached (L.A.) kant van hypnagogic pop (Ariel Pink!) aangetrokken te voelen, maar vooral naar This Heat en het obscure The Shadow Ring luistert—karakteristieke, excentrieke Engelse acts dus. Ook is hij grote fan van Steely Dan, trouwens, maar dat terzijde. Deze muzikale voorkeuren—vooral The Shadow Ring—geven al enigszins aan wat je kunt verwachten bij Hype Williams: grillige en ietwat knullige muziek die zich nergens iets van aantrekt. Hype Williams is gerefereerd als William Burroughs-cut-up-style hip hop cq. pop, en dat is een zeer aardige beschrijving die je een goed idee over de op het eerste gehoor nogal amateuristische aandoende muziek, lees non-muziek, verschaft. Wat je hoort zijn wazige synth-instrumentals op blikkerig klinkende Casio beats en allerhande samples, vrijelijk citerend uit pop, hiphop en MOR. Hype Williams heeft charme, juist door die haast sardonische kijk op muziek, waardoor zo’n plaat als One Nation—die ikzelf elke keer dreig te betitelen als plaat van het decennium, of in ieder geval een van de tien—ondanks roekeloos en schaamteloos jatwerk toch volstrekt organisch klinkt. Conceptuele high art, zeker, maar tegelijkertijd uitermate pop. One Nation is hun meesterwerk, als dat in de context van dergelijke plunderphonics niet een paradoxale term is. Saillant detail: deze van lo-fi jatwerk in elkaar geboetseerde LP kwam uit op strictly limited 200 grams vinyl.

Een zijdelings aan hypnagogic pop en de Britse hauntological-scene opkomende (en ook weer snel verdwijnende) stroming is de zogenaamde witch house—de benaming is tekenend voor de schier oneindige differentiatie van genres in pop en dance—met o.a. oOoOO en Salem met King Night, meer refererend aan de gothic kant van de jaren ’80. King Night is een concoct van house en feeërieke, Cocteau Twins-achtige effecten en zang.  Salem is op zich niet onaardig (ik heb de cd zelf ook), maar de vraag is of het beklijft (waarop het antwoord nee is).

Ook zijdelings aan de hypnagogic pop gelieerd zijn Emeralds en Oneohtrix Point Never die rond de wisseling van de jaren nul naar de jaren tien carrière-bepalende albums uitbrachten. De connectie met hypnagogic pop is gelegen in het feit dat zowel Emeralds als OPN ongegeneerd refereren aan de klassieke synthmuziek van vooral Klaus Schulze uit de jaren ’70. Het vroege solowerk van Emeralds-lid Mark McGuire—verzameld op de verrukkelijke dubbele compilatie-cd A Young Person’s Guide to Mark McGuire (Editions Mego 2011)—is misschien nog wel het meest hypnagogic: eindeloze loops van delayed guitar, die een buitengewoon hallucinatoir effect sorteren bij de luisteraar (zeker als je de twee discs achter elkaar afspeelt). Het is ongetwijfeld volstrekt retro wat ze doen, maar met dezelfde knipoog als bij Ferraro en Rangers, en o zo lekker. Als je meent dat het al eerder is gedaan, heb je het niet begrepen.

Beide formaties komen echter net als James Ferraro uit de noughties noise voort—zowel Emeralds als OPN brachten bijvoorbeeld albums uit op het noise-label par excellence No Fun Productions, en vooral de vroege Emeralds is noise-georiënteerd, en check ook het uiterst noisy intro-nummer op OPN’s Returnal. Mego bracht ook een dubbelvinyl remaster van Emeralds’ voortreffelijke No Fun plaat (What Happened?) uit. Onmisbare plaat voor elke synth-muziekfan, net zoals Does It Look Like I’m Here?, hun chef d’œuvre uit 2010. De beste van OPN’s platen uit dit decennium is naar mijn smaak Garden of Delete.